Zeilen in Denemarken 2002
Terug naar homepage
Omdat de weerberichten voor donderdag slecht en voor vrijdag nog slechter zijn, besluiten Annette en ik om de boot woensdagmiddag al over te zeilen. Ik neem een middag vrij en om 14.30 vertrekken we uit Monnickendam. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Als ik de laptop met navigatiesoftware ‘even’ aan wil zetten, blijkt dat Fugawi de GPS helemaal niet ziet. Eerst denk ik dat het aan Windows 2000 ligt, dat ik inmiddels op de laptop heb geïnstalleerd (iets wat ik beter niet had kunnen doen, omdat de computer er ongelofelijk traag van wordt). Bij nader inzien blijkt dat Windows denkt dat de COMpoort van Fugawi aan een muis is toebedeeld. Vandaar dat de cursor op de meest onverwachte manieren heen en weer springt en Fugawi niet starten wil. Gelukkig valt dat snel te verhelpen en begrijpt Fugawi weer dat de GPS aanwezig en actief is. Weldra verschijnt dan ook de kaart van het IJsselmeer zuidelijk gedeelte, met de positie van de boot daarop aangegeven. Ik heb de route nog in Fugawi staan, en upload de hele zaak naar de GPS, zodat de stuurautomaat daar straks op kan sturen. Dat blijkt perfect te werken. Van de hele tocht (die vijf uur duurde) heb ik misschien 20 minuten zelf gestuurd!
Het weer is prima. De wind is matig tot vrij krachtig (4 tot 5 Beaufort) uit het zuidwesten tot westen en met de motor aan en de fok bij halen we bij vlagen 7 knopen. Na een kleine drie uur varen liggen we dan ook in Enkhuizen voor de sluis. Helaas vindt de sluiswachter het nodig eerst een heel stel plezierjachten op te sparen, voor de schutting daadwerkelijk kan beginnen. Toch duurt het allemaal niet al te lang. Omstreeks 18.00 varen we het Krabbersgat op. Hoewel we iets scherper aan de wind moeten, kunnen we dezelfde tactiek volhouden: motor aan en fok bij. Na de recordtijd van 1 uur en 45 minuten lopen we de voorhaven van Staveren binnen en wordt (nadat we een rondje hebben gemaakt) de sluis voor ons in gereedheid gebracht. Tegen 20.00 ligt de boot veilig in een box, hebben we het havengeld voor de nacht voldaan en rijden we met Joyce en Patrick terug naar Zaandam. Morgenavond gaan Jacco en ik de mast strijken en varen dan vrijdag naar Delfzijl.
Donderdag, 27 juni 2002
Staveren
Het is bijna 18.30 als Jacco en ik per trein (waarbij NS kans ziet de vertraging tot 20 minuten te laten oplopen, zodat we bijna de veerboot missen!) en boot in Staveren zijn aangekomen in de verwachting de boot daar ongedeerd aan te treffen. Groot is dan ook de schrik als we ontdekken, dat een stevige lat onder de achterkant van het luik van de kajuit is gestoken en dat de achterkant van het luik helemaal los zit! Het lijkt erop, dat we inbrekers aan boord hebben gehad. Met vrees en beven maak ik de kuiptent los, me voorbereidend op de puinhoop die ik zal aantreffen. Tot onze starre verbazing echter ontbreekt er helemaal niets! De GPS, de marifoon, de radar, het seinpistool, de drankvoorraad, de fietsen, de zeilkleding … alles is volstrekt onaangeroerd gebleven. Zelfs de trui, die ik gisteravond zomaar op tafel had gegooid, ligt er nog net zo. Hoe is dit mogelijk? Nu ja … ontiegelijke mazzel gehad kennelijk!
Het waait inmiddels hard: windkracht 6 uit het noordwesten en de wind staat dwars op de box. Geen goede positie om de mast te strijken. We trekken de boot met veel moeite dus de box uit en leggen hem langs de kant met de kop in de wind. Nu zal het beter gaan. Na alle procedures voor het maststrijken nauwkeurig te hebben uitgevoerd kan het gevaarte omlaag en na even hard werken ligt het ding veilig op het dek in de speciale constructie die daarvoor gemaakt is. Inmiddels is het 20.30 geworden en de brug bij Warns (die te laag is om zelfs met gestreken mast te passeren) draait maar tot 21.00 uur. Opschieten dus. We haasten ons die kant uit en redden het nog net. De Warnser brug wordt voor ons geopend en we stomen direct verder. Tegen 21.00 naderen we de brug van Galamadammen. Op een afstand van zo’n 200 meter voor de brug springen de lichten alle vier op rood: einde brugbediening! Voor ons gelukkig geen punt, want we zijn na het strijken van de radarmast (wat met een enkele handgreep kan gebeuren) zo laag, dat we er zonder meer onderdoor kunnen. Net voorbij de brug zie ik een klein leeg insteekhaventje. Uitstekende plaats om te overnachten, denk ik. We leggen de boot neer, drinken een borrel en zien dan een skûtsje naderen, vol met in zeilkleding gestoken mannen. ‘Wat dut die der nou?’ hoor ik vragen en ik begrijp dat wij een voorziene ligplaats hebben ingepikt. De mannen vragen of wij niet langszij een ander skûtsje willen gaan liggen en wij zijn de beroerdste niet. Na die manoeuvre zoeken we ons bed op en gaan slapen. Morgen is het weer vroeg dag.
Vrijdag, 28 juni 2002
Staveren naar Delfzijl
Om 10 over zes begin ik met de werkzaamheden. De windvaan moet nog van de mast gehaald. Te veel gevaar op schade als we dat ding laten zitten, zoals ik tot twee keer toe in het verleden heb moeten ervaren. Er moet nog vet in de schroefasvetpot gedaan worden en er moet nog diesel uit de cans in de tank gegooid worden. Daarna eten Jacco en ik snel een boterham en gaan om 07.15 op weg. Het waait dat het rookt. En wel uit het westen tot noordwesten. Minimaal windkracht 6, mogelijk zelfs 7. Er staan dikke koppen op het water van de Fluessen en het Heeger meer en er lopen rollers, die de boot op een barre manier doen gieren. Daarbij regent het van tijd tot tijd ook barbaars. Toch zetten we door. We willen zo snel mogelijk in Groningen en vervolgens in Delfzijl komen en de enige manier om dat te doen is: varen, varen, varen. Ik maak me wat zorgen over de hoeveelheid brandstof, die we ter beschikking hebben. Een beetje weinig om Groningen te halen, naar ik vrees. Maar we zien geen tankstations langs het water, die open zijn. Pas om 10.30 kunnen we tanken bij een olieboer aan het water vlak voor de Fonejachtbrug. Nu is het leed geleden. Voordeel van het slechte weer is, dat het verkeer te water minimaal is, en we dus erg snel op kunnen schieten. Al om 15.30 liggen we in Groningen bij de schippersaanlegplaats voor de wal. Op dat moment komen Reynold en Annette aan rijden. Ze hebben vertraging gehad in een file bij Joure, maar zijn toch redelijk op tijd hier aangekomen. Met de auto brengen we de lege cans naar een benzinepomp en vullen ze daar allemaal met diesel. We hebben nu 50 extra liters als reserve ter beschikking. Die zullen we onderweg naar Oldenburg nodig hebben, want dat halen we niet op een tank vol. Omstreeks 17.00 varen we weer weg. Reynold gaat per auto naar huis en later naar Maastricht. De Oostersluis staat open en wacht tot wij binnen zijn voor de schutting. Dat is service! Vervolgens varen we na de schutting bakboord uit richting Delfzijl. Ik wil in de binnenhaven gaan liggen, achter de brug van Delfzijl. Die wordt ’s avonds echter alleen tussen 18.30 en 19.30 bediend. Ik pleeg per marifoon enig vooroverleg, zowel met de haven als met de brug en we halen het net. We leggen de boot in een box, betalen het liggeld en lopen nog even door Delfzijl. Daar is weinig meer te beleven: de koopavond wordt juist afgesloten. Om 22.30 gaan we naar bed.
Zaterdag, 29 juni 2002
Delfzijl naar Küstenkanal
Om 08.00 uur gaan Annet en ik naar de warme bakker, waar we brood en volkoren beschuit kopen. Daarna maken we de mast en al het overige aan dek extra goed zeevast en starten we de motor. In de wasruimte bij de jachthaven kom ik tot mijn verbazing Gideon van Dam tegen, de huidige COZD (commandant Onderzeedienst). Heb ik in de jaren 80 nog meegemaakt als onderzeebootcommandant! Hij ligt nu met een platbodem in de haven en is heel verbaasd dat wij straks naar buiten richting Eems gaan. Hij praat over windkracht 5 tot 6, maar ik zeg dat het allemaal best meevalt. Bovendien hebben we stroom en wind in dezelfde richting en waaien en spoelen we zo naar het oosten! Eigenlijk ben ik daar niet zo heel zeker van, maar tegenover Gideon wil ik dat niet laten merken. Als we later echter op het water zitten, blijkt het inderdaad precies zo uit te komen. We hebben een zeer rustige en zeer snelle overtocht. Om half 11 tussen de havenhoofden en om 15.00 precies voor de sluis in Herbrum. Daar moeten we natuurlijk (!) weer een uur wachten voor we met een kleine 10 andere bootjes mogen sluizen. We ontmoeten ter plaatse onze oude kennissen uit Burgum, die eveneens met gestreken mast richting Oostzee gaan. Dit keer hebben ze twee vrienden elk met hun boten bij zich. Ze varen met zijn drieën in konvooi. Wij gaan maar voor onszelf verder en dat levert ons geen windeieren. Achter het binnenvaartschip, dat voor ons uit vaart van de ene sluis naar de andere kunnen wij (met drie andere jachten) nog net de sluis van Dörpen binnen. De Bergumers zullen een half uur moeten wachten. Het binnenvaartschip legt daarna op de aanlegplaats aan en wij stomen door in de richting van Oldenburg. Om 18.30 starten we. We willen tot minstens 22.00 doorvaren, zodat we morgen (na op tijd te zijn opgestaan) om 09.00 uur bij de sluis van Oldenburg kunnen zijn. We zullen zien.
Om 21.25 zijn we bij de aanlegplaats van de rondvaartboot, waar we vorig jaar hebben gelegen. Het ding ligt er nu zelf en bovendien willen we nog iets verder varen. Drie uur tot Oldenburg vinden we eigenlijk wat veel voor de vroege morgen. Daarom varen we verder tot de afslag naar het Elisabeth Fehnkanal. Dat is op een dikke 2,5 uur varen van Oldenburg. De aanlegplaats even verderop is nu bezet door een binnenvaartschip. We gaan dus nog verder. Om de volgende hoek van het kanaal zien we de lege aanlegsteiger voor een bouwbedrijf. Daar besluiten we te gaan liggen. Het is vanaf hier weliswaar nog zo’n 2,5 uur varen, maar dat moet dan maar.
Als we een half uurtje liggen, komen er opeens schepen voorbij. Het blijken de Bergumers te zijn, die niet in Dörpen zijn gaan liggen, maar ook verder zijn gevaren. Even voorbij onze aanlegplaats leggen ze aan bij een stel palen. Ook zij vinden het kennelijk voor vandaag mooi genoeg. Gelijk hebben ze. We drinken nog wat en gaan omstreeks 23.00 naar bed. Morgen weer vroeg op: we willen toch proberen om in elk geval Bremerhaven te halen. Afhankelijk van het weer gaan we dan verder naar Otterndorf of blijven in Bremerhaven liggen. We zullen wederom zien …
Zondag, 30 juni 2002
Küstenkanal naar Bremerhaven
Om kwart over zes staan we op en 5 minuten later varen we. Daarna begint Annette met het maken van het ontbijt. De ‘Bergumers’ liggen nog in diepe rust aan de palen als we voorbij komen stomen. Ik maak maar een ruime bocht om ze heen, zodat ik ze niet onnodig stoor. Als we enkele minuten later achter de eerstvolgende bocht verdwijnen, zie ik aan boord van hun schepen nog geen enkele beweging. Misschien hebben ze besloten om pas voor 12 uur bij de sluis van Oldenburg te komen en daarna in Oldenburg zelf te blijven liggen. Zo zijn onze plannen niet. We gebruiken al varend een stevig ontbijt met veel koffie en komen aldus aangesterkt tegen 09.00 uur bij Oldenburg aan. Daar lijkt het compleet uitgestorven. Jacco en ik lopen naar het sluisgebouw en drukken op een tweetal belknopjes, zonder dat er enige reactie op komt. Daarna gaan we terug naar de boot en probeer ik in arren moede de marifoon: ‘Schleuss Oldenburg, Schleuss Oldenburg, hier die Andrea III!’En nu is er opeens wel reactie! Het blijkt dat ze wel degelijk aanwezig zijn en als ik vraag om gesluisd te mogen worden maken ze de sluis onmiddellijk klaar. Dat is een meevaller. Om 09.20 varen we Oldenburg binnen. De hefbrug moet helaas een eindje voor ons omhoog. Zelfs met gestreken radarmast kunnen we er niet onderdoor. Het is immers net na hoog water. De spoorbrug hoeft niet gedraaid te worden. Dat is maar beter ook, want dat kan tijden duren. Net als we onder de brug doorvaren (het brugdek slechts enkele tientallen centimeters boven ons hoofd) dendert er een personentrein van de DB over ons heen. Dat hebben ze met opzet gedaan!
Vervolgens zakken we met toenemende snelheid de Hunte af. Op een gegeven moment halen we zelfs meer dan 9 knopen! Dat betekent wel, dat we aan de late kant zijn om Bremerhaven te halen. Het zal om 12.00 uur laag water zijn in Bremerhaven en dan zijn wij nog niet ter plaatse. De reis naar Elsfleth zal zo’n twee uur in beslag nemen en de reis daarna naar Bremerhaven eveneens een dergelijke periode. Ik reken uit, dat we dan om half 2 ter plaatse zouden moeten zijn. Maar omdat de stroom tegen die tijd wel gekeerd zal zijn, veronderstel ik dat we er nog wel een half uur extra over zullen doen. Dat blijkt redelijk te kloppen. Toch valt de snelheid het grootste deel van de vaart erg mee. Op de Weser komen we pas op het eind onder de 8 knopen. Pas het laatste half uur krijgen we stroom tegen en halen we niet meer dan 5.3 knopen. Om 1 uur (terwijl we nog op de Weser zijn) vraagt Jacco of we de tv niet kunnen aanzetten. Het wereldkampioenschap voetbal zal immers gespeeld worden tussen Duitsland en Brazilië. Nog nooit hebben we varend tv gekeken. Zelfs in de haven gebruiken we het toestel maar mondjesmaat. Maar deze gelegenheid is belangrijk genoeg. We tuigen de boel op en al varend volgen we de eerste helft van de wedstrijd, waarbij overigens geen bijzonderheden voorvallen. Onderweg moeten we helaas nogal wat regenbuien ondergaan. Ze zijn niet zwaar, maar wel erg miezerig. De stemming daalt. Zelfs zo, dat ik besluit om in Bremerhaven te blijven liggen. Het is wel mooi geweest voor vandaag. Aan de steiger zien we de tweede helft van de wedstrijd, waarbij Duitsland met 2-0 verliest. Het blijft opvallend stil op de naburige boten, hoewel iedereen tv zit te kijken. Na de wedstrijd lopen we de steiger op. Ik betuig twee Duitse watersporters mijn ‘herzlichstes Beileid’, maar ze zijn sportief genoeg om te zeggen, dat de Brazilianen verdiend hebben gewonnen!
Morgen kopen we een Getijdenboekje. Ons eerder gekochte exemplaar hebben we kennelijk thuis laten liggen, want we kunnen het aan boord nergens meer vinden. Bovendien tanken we dan weer compleet af en reizen vervolgens naar Otterndorf. Als het weerbericht slecht blijft (of nog slechter wordt) lassen we misschien nog wel een extra rustdag in in Bederkesa. Dat plaatsje is ook wel de moeite waard om een dagje te blijven liggen.
Jacco en ik zoeken ’s middags een Internetcafe op, alwaar we proberen de software voor de Navtex (die we niet aan de praat kunnen krijgen) op te duikelen. We moeten het laten bij een smeekmailtje naar de leverancier. Laat hij ons in vredesnaam de juiste software sturen, want anders moeten we het apparaat ongebruikt weer terugsturen. We zullen hopen dat ze nu eindelijk eens reageren. Onderweg moeten we voortdurend het getoeter verdragen van met auto’s rondrijdende fans van het Duitse elftal. Ze hebben met 2 – 0 verloren van Brazilië, maar de fans gedragen zich alsof ze gewonnen hebben. Uren gaat het getoeter en gezwaai met vlaggen door. Het was wel even leuk, maar (zoals wel vaker) weten de Duitsers ook nu weer niet van ophouden. ;-)
’s Avonds loopt de wind weer zo hard op, dat we aan de drijvende steiger liggen te hengsten alsof we tegen windkracht 5 invaren. Dat is geen doen. We maken los om ergens anders te gaan liggen. Net op dat moment komt de havenmeester aanrijden en raadt ons aan naar de steiger bij de Tankstelle te gaan. Die is ook van de gemeente en daar liggen we veel rustiger. Dat blijkt ook werkelijk het geval te zijn. Bovendien kunnen we hier electriciteit krijgen. Dat is makkelijk voor de computer, de oplader en de lampen. We steken de kachel aan en voelen ons weldra ondanks het slechte weer helemaal tevreden. Morgen komt er weer een dag!
Maandag, 1 juli 2002
Bremerhaven naar Bederkesa
Als ik omstreeks 05.30 even uit het raam kijk om de positie van het schip te controleren, zie ik tot mijn schrik, dat we niet recht langs, maar onder een scherpe hoek met de kade muur liggen! Er is iets ernstig mis kennelijk! Ik schiet in mijn kleren en schuif het luik open. Het voorschip ligt ongeveer drie meter van de wal en de mast (die in de lengte over het schip ligt) steekt van achteren een meter over de steiger! De voorste landvast is om onbegrijpelijke redenen losgeraakt en ligt half in het water. Ik spring op de wal en grijp het laatste uiteinde van de landvast en trek het schip weer naar de steiger toe. Twee minuten later is de oude situatie hersteld. Reconstruerend komen Annet en ik tot de conclusie, dat een misverstand tussen ons de oorzaak van het gebeuren moet zijn geweest. Ik dacht dat Annet de landvast had bevestigd, terwijl zij er van uit ging dat ik dat gedaan had.
Om 08.00 uur staan we gepland op en gaan daarna naar de bakker op zoek. Dat lukt vrij voorspoedig. Annet koopt wat bagels met speciale granen en een muesli brood. Daarna lopen Jacco en ik naar de watersportzaak voor de aanschaf van een nieuw getijdenboekje. Ook dat lukt zonder problemen. Vervolgens ontbijten we en tanken dan de brandstof tank af. Tot slot (terwijl we daarmee bezig zijn komt een Nederlands motorjacht uiterst traag voorbij varen) tanken we vers water: 60 liter of zo … iets, wat we achteraf bekeken beter niet hadden kunnen doen.
Ik maak na deze activiteiten zo snel mogelijk los en vaar volle kracht achter de motorboot aan. Om 10.00 uur sluist de sluiswachter van de Geeste en we moeten zien rond die klok daar te zijn. Weldra hebben we het motorjacht (uit Tiel afkomstig) ingehaald. De man en de vrouw kijken genoeglijk om zich heen en wijzen elkaar op bijzondere plekjes op de wal. Inderdaad is de Geeste een schitterende getijdenrivier. Als je hem voor de eerste keren ziet tenminste. Wij hebben hem al vaker gezien en vreten ons op van ergernis, want zo missen we straks nog de sluizing bij de Geeste! Ik probeer mijn medewatersporter per marifoon op te roepen. Maar uiteraard heeft hij kanaal 10 niet bijstaan. Dan loopt Jacco naar voren en geeft een schreeuw. De vrouw komt naar achter en vraagt vriendelijk of Jacco soms een krant wil. Joost mag weten hoe ze daar bij komt, maar Jacco weet haar snel duidelijk te maken dat we een beetje moeten opschieten omdat we anders straks een uur vast zitten bij de sluis. Ondertussen stoom ik het jacht voorbij. Omstreeks 10 over 10 komen we bij de Geestesluis aan. Beide lichten op rood en geen beweging aan de wal te ontdekken. Ik pak de mobiele telefoon en bel de sluiswachter. Het duurt nogal even voor hij opneemt, maar weldra krijgen we de verzekering dat de sluis gedraaid wordt. Een half uur later varen we op de Geeste richting Bederkesa.
Aldaar komen we omstreeks 13.30 aan. We zien een stel Nederlandse platbodems aan de kant liggen en krijgen al gauw het verhaal te horen, dat het vanwege het slechte weer in Otterndorf een beetje een puinhoop is. Er is een waterstand geweest 2 meter hoger dan normaal, de haven zou propvol liggen en niemand zou wegens de harde wind naar buiten durven. Dat belooft niet veel goeds. We leggen de boot aan en lopen het dorpje in. De winkels blijken wegens ‘Mittagsruhe’ allemaal gesloten, en gaan om 15.00 weer open. Ik doe dus zelf ook maar een klein middagslaapje. Daarna gaan we wat inkopen doen. Jacco en ik weten de gegevens te pakken te krijgen voor het WAPpen en Internetten met de T-D1 prepaid kaart, die we nu in de mobiele telefoon gebruiken. Beide zaken verlopen prima. We kunnen nu wappen en internetten en blijven zo op de hoogte van de weerberichten. De Navtex jongens hebben het laten afweten, maar op deze manier hebben we ze dus ook niet nodig. Terwijl we in de kuip zitten, komen de Bergumers voorbij. Ze roepen ons toe, dat ze hadden gedacht dat wij al aan de andere kant van het Kieler kanaal zouden zijn. Ik roep terug, dat we het heel rustig aan doen.
Annette begint met de avondmaaltijd en ontdekt daarbij opeens dat er een plons water in de boot staat. Ik denk aan een kleine lekkage bij de vulopening van de watertank. Ik schep de zaak weg (drie tot vier pannen vol!) en denk dat het daarmee wel over zal zijn. Een paar minuten later staat er wederom een plons water onder de planken in het voorschip. Dit is ernstiger! Ik haal het schot weg en kijk op het vlak. Als ik de zaak goed droog gemaakt heb zie ik op de pas aangebrachte lasnaad in het vlak telkens nieuwe druppels water verschijnen. Het lijkt erop dat de lasnaad lekt! Het water zou buitenboord water kunnen zijn! Dat is schrikken. Ik begin met het opzoeken van het nummer van de werf die de laswerkzaamheden heeft verricht. Misschien weten die wat je met een lekke lasnaad moet doen. Nader speurwerk levert echter op, dat de lekkage van elders moet komen. Het is lastig om achter en onder de schotten na te gaan waar de waterdruppels vandaan komen, maar als ik de felle halogeen lamp heb gepakt om bij te lichten zie ik eindelijk waar het lek zit: er blijkt onderin de zijkant van de watertank een gat te zitten, waardoor telkens druppels water naar buiten wellen. Het ziet er niet al te ernstig uit en het lijkt erop dat een stukje goed klevend tape de problemen wel kan oplossen. Om dat voor te bereiden ontvet ik de plek met een doekje met spiritus. Terwijl ik daarmee bezig ben breekt de plek helemaal door en spuiten er twee vingerdikke stralen water uit de tank! Het lek is veel groter dan ik dacht! Onmiddellijk druk ik mijn vingers op de gaten en vraag aan Annet en Jacco om via de pompen bij het aanrecht en bij de wasbak de tank leeg te pompen. Dat gebeurt, maar het duurt wel even! Uiteindelijk is het werk gereed en blijken we letterlijk het lek boven water te hebben. De tank is onbruikbaar geworden, maar we kunnen wel verder met de vakantie. Morgen maar een grote jerrycan kopen om water in te kunnen opslaan. En informeren naar een waterafdichtende, zelf uithardende pasta, waarmee wellicht het gat gestopt zal kunnen worden.
Een enerverende dag weer ten einde!
Dinsdag, 2 juli 2002
Bederkesa naar Gieselau
Maar het kan allemaal nog veel enerverender, zoals we deze dag zullen merken. We staan rustig op omstreeks 08.30 uur. Daarna ontbijten we en gaan vervolgens naar Bederkesa. We willen daar wat inkopen doen: brood, middelen om een lekke watertank te repareren, een telefoonkaart en een jerrycan voor water. Dat lukt allemaal voorspoedig. Als we terugkomen zijn onze achterburen (twee platbodems) bezig los te gooien. Ik zie de eerste boot heel langzaam wegvaren en zie de andere (zo mogelijk) nog langzamer losgooien en krijg visioenen van aankomst in Otterndorf om 19.00 uur … Ik krijg van Annet echter geen toestemming om onmiddellijk los te maken en weg te varen, en aldus varen we tergend langzaam achter de twee platbodems aan richting Otterndorf. Naar ik weet loopt er een paar kilometer verderop een boeren landweg langs het kanaal. Omdat ik toch nodig weer iets aan mijn conditie moet doen stel ik voor met de boot mee op te gaan hardlopen. Annet verklaart me voor gek, maar ik trek toch mijn sportkleren aan. Bij een steigertje spring ik van de boot af en ren daarna langs het landweggetje voor de boot uit. Twintig minuten later ben ik wel ongeveer aan het eind van mijn sportieve inspiratie en zoek ik een ander steigertje op. Annet komt vlak langs varen en ik klauter weer aan boord. Even uitzweten en ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan. Inmiddels begint het getreuzel van de achterste platbodem mij behoorlijk te irriteren. Ik besluit hem maar te passeren. Dat lukt vrij gemakkelijk. Omstreeks 14.00 arriveren we in Otterndorf. Daar zit de sluis nog dicht en moeten we aanleggen. De manoeuvre verloopt bepaald niet vlekkeloos. Annet besluit aan land te springen en dat mislukt. Met een gigantische plons komt ze letter tussen wal en schip ik het water terecht. Ze weet zich aan de wallekant vast te houden, en moet door twee mensen (waaronder Jacco, die in de hele consternatie zijn horloge in het water ziet verdwijnen!) omhoog op het droge worden gehesen. Vrij snel daarna wordt de boot aangelegd en kan Annet droge kleren gaan aantrekken. Dit is kennelijk de vakantie van de ‘dingen die nog nooit gebeurd zijn’, want dit hebben wij in 25 jaar watersport nog niet mogen meemaken!
Na de sluis zetten we in een dik uur de mast. We beginnen daar al aardig expertise in te krijgen. Om 16.30 varen we de haven uit en komen langs de beruchte prikken op de Elbe. Het weer lijkt erg rustig. Maar dat blijkt een vergissing. Op de Elbe varen we op de motor met de fok bij op een snelheid van een dikke 8 knopen. Achter ons bouwen zich zeer duistere luchten op. De wind is echter zuidwest en de zaak lijkt achter ons langs te bewegen. Plotseling echter draait het windvaantje een volle 90 graden! Van zuidwest wordt de windrichting opeens noordwest. De fok slaat bak en moet over de andere kant gezet worden. Bovendien verschijnt er achter ons een regengordijn, waarin eerst de wal en later achter ons varende schepen verdwijnen. Ik neem wat voorzorgen en haal de fok weg. Dat is maar net op tijd! De regen klettert neer en weldra worden we door harde windstoten in de rug voortgeduwd. Gelukkig dat wind en stroom in dezelfde richting gaan, anders hadden we nu in een kokend zeetje gezeten! Bovendien beginnen er bliksemstralen langs de hemel te knetteren, gevolgd door dreunende donderslagen. We zitten midden in een ‘Gewitterboe’ op de Elbe! Het is een aparte ervaring. In eerste instantie lijkt het erg griezelig, maar bij nader inzien valt het eigenlijk best wel mee. In een record tijd van 70 minuten liggen we op de hoogte van het Nord-Ostsee-Kanal. Helaas zijn we net te laat voor de schutting. Het witte knipperende licht wordt een knipperend rood licht en we moeten wachten. Een half uur lang houden we het schip op de motor gaande in de ‘Wartestelle’ voor jachten op de Elbe. Het weer is gelukkig een stuk beter geworden en de zon laat zich zelfs even zien.
Eindelijk wordt het licht weer knipperend wit en mogen we naar binnen. We leggen aan over stuurboordskant en ik maak een praatje met onze kennis uit Bergum. Zij zijn vanmorgen al Otterndorf binnengesluisd en hebben drie uren nodig gehad om de mast op te zetten. Ze hadden vol verbazing zitten kijken hoe wij de zaak in een uurtje geklaard hadden. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen, dat hun mast aanzienlijk langer en zwaarder is. Om 18.30 varen we de sluis uit en besluiten door te stomen naar Gieselau, bijna halverwege het NOK. Onderweg worden we overvallen door een tweede regen en onweersbui. Dit is niet half zo indrukwekkend als op de Elbe. Ik heb de fok bijstaan en we krijgen een stevige extra duw in de richting door de wind. Dat scheelt minstens een volle knoop! Als het weer droog is komen we een klein eskader Nederlandse mijnenjagers tegen: de Willemstad, de Urk en de Hellevoetsluis. Behalve bij het laatste schip (schande!) zwaaien de bemanningsleden heel vriendelijk. Naar het schijnt zou Anne-Marije Hagendoorn op een van de schepen aan haar kruisreis bezig kunnen zijn. We zullen dat na terugkomst verifieren.
Om 21.45 draaien we het kanaal naar de Gieselau sluis in. We leggen aan vlak voor de brug en ervaren de stilte rondom als een weldaad. Na een korte wandeling gaan we weer aan boord, nemen een borrel en internetten nog wat. Dan tik ik dit verhaal in en gaan we slapen. Morgen naar Kiel!
Woensdag, 3 juli 2002
Gieselau naar Kiel
Uitstekend geslapen. Bij de Gieselau sluis is het inderdaad heel rustig. Om acht uur staan we op en gaan direct varen. Wassen en eten doen we onder het varen wel. Ik start de motor en draai het achterschip in de wind. Via het voorschip stap ik op en vaar eerst een heel eind achteruit het kanaal in. Dan draai ik het schip en zijn we onderweg. Het NOK is vrijwel leeg en gestadig motoren we verder in de richting van Kiel. De wind (die uit zuidelijke richtingen waait) is zwak tot matig en de eerste helft van de tocht kunnen we de fok bijzetten. Dat scheelt bij tijden een knoop. Beurtelings ontbijten we en omstreeks 12.30 varen we de sluis van Holtenau binnen. Die staat open en we denken al dat we een vlotte sluizing gaan beginnen. Dat blijkt een vergissing. De sluiswachter laat ons een vol half uur voor nop in de sluis liggen, voor hij de deuren eindelijk weer open doet. We slaan buiten de sluis vrijwel onmiddellijk linksaf en gaan in het haventje van Holtenau binnen de steiger liggen. Met fenderplank en extra lange landvasten weten we het schip goed neer te leggen. Vervolgens gaan we naar Tiessen, de shipschandler, die al meer dan 80 jaar bestaat! De oude heer bedient ons (als vanouds) zelf. De ravitaillering van de jachtjes regelt hij op zijn hoge ouderdom nog helemaal zelf. Ik informeer naar een kapiteinstekening van een tweemastschoener. Ik ben net het boek van Loomeijer aan het lezen over deze schepen en daarin wordt van dergelijke tekeningen ook melding gemaakt. Dat blijkt een schot in de roos. Tiessen heeft het schilderij van zijn vader gekregen, die het weer van de schipper van de schoener ontving in 1928. Voor een tentoonstelling in Amsterdam heeft Tiessen indertijd het schilderij uitgeleend en als dank een getekend exemplaar van een boek van Loomeijer gekregen. In dat boek (Water over dek en luiken) wordt Tiessen zelfs vermeld als een van de adressen waar de Oostzeeschippers hun voorraden kochten. Onze bestelling (bestaande uit drank, kaas en aftershave) zal morgen vanaf 8 uur gereed zijn. Ik neem de inmiddels gebruikelijke lichtkogels mee om onze voorraad op peil en op datum te houden. Daarna gaan we met Jacco per bus naar Kiel. We kijken of we een nieuwe wereldontvanger kunnen krijgen alsmede een horloge voor Jacco, dat hij bij onze escapades in Ottterndorf (waarbij Annet te water raakte) heeft verloren. Geen van de twee gezochte zaken kunnen we vinden. Volgende keer beter. We eten in een lokaal restaurantje een voortreffelijke maaltijd: Annet neemt steak, Jacco kipfilet, terwijl ik calamares verorber. We sluiten af met ijs en/of koffie. Op de terugreis word ik in de bus gebeld door Mea. De computer die ik tijden geleden bij hen heb geinstalleerd heeft het laten afweten. Mogelijk is een virus de oorzaak, maar ze komen er niet uit. Of ik kans zie dat voor ze te verhelpen. Ik wil juist uitleggen dat ik dat pas in augustus kan doen, als ik per intercom door de chauffeur van de bus wordt gemaand onmiddellijk de ‘handy’ uit te doen. Het gebruik van een mobiele telefoon in de bus is uitdrukkelijk niet toegestaan. Nu zie ik ook pas de stickers op de ruiten die daarop wijzen: een mobiele telefoon met een grote streep erdoor. Ik ben helemaal verbluft zo als yup aan de kaak te worden gesteld, maar leg mij bij de Duitse regels neer. Aan Mea zeg ik dat ik onmiddellijk het gesprek moet beeindigen. Pas na aankomst in Holtenau kan ik ze opnieuw opbellen en uitleggen hoe het in elkaar heeft gezeten. Mea had al verondersteld, dat er zich een noodgeval had voorgedaan. Ik beaam dat maar: ‘Inderdaad … een Duits noodgeval!’
Aan boord aangekomen, steken we de kachel aan en proberen per televisie en later per Internetverbinding de weerberichten voor morgen te pakken te krijgen. Dat lukt, maar de berichten zijn niet onverdeeld goed. ’s Morgens westenwind, maar ’s middags en ’s avonds noordwesten wind! Precies uit de richting waar wij heen willen dus! We overwegen om morgen naar Schilksee te gaan of naar Laboe en/of Wendtorf … In elk geval dichter naar de uitgang van de Kieler Fjord. Mogelijk kunnen we dan vrijdag naar Damp en/of Maasholm. De wind zou dan namelijk naar zuidelijke richtingen moeten gaan. We zullen zien.
Donderdag, 4 juli 2002
Kiel
’s Morgens worden we uit onszelf wakker. We hadden verwacht door de havenmeester te worden opgeschrikt, maar dat blijkt niet het geval. Hij komt wat later. Mogelijk omdat hij heel veel schepen af te werken heeft. Het slechte weer heeft de vakantiepatronen op het water wel behoorlijk in de war gegooid. Na het ontbijt gaan we eerst naar Tiessen om onze bestelling op te halen. Die zou om 08.00 uur gereed staan, maar dat wordt dus even later. Vervolgens sjouwen we de flessen naar boord en gaan Jacco en ik met de bus naar Kiel om te kijken of we een (betaalbare) radio kunnen vinden. De Grundig Yachtboy (amper 3 jaar oud!) heeft het wat midden- en korte golf betreft laten afweten en we willen toch perse de weerberichten kunnen ontvangen. We stappen uit in de buurt van een Internetcafe en lezen en regelen daar in een uur onze e-mailperikelen. Ook abbonneer ik me voor de duur van de vakantie op de weerberichten per e-mail van Wetter-online voor de Kieler Bucht en voor Belte und Sund. Zo krijgen we tenminste minimale berichten door. Vervolgens starten Jacco en ik een zoekslag door Kiel om een radiozaak te vinden. Dat lukt heel lang niet, maar uiteindelijk wel. We kopen een demonstratiemodel van een Grundig Prima Boy, die weliswaar niet zo prima geequipeerd is als de Yachtboy, maar die het hopelijk doet! Het ding kost inclusief batterijen 30 euro, en dat is dus enigszins een vriendenprijs. Met de bus rijden we weer terug naar de boot. Aldaar doen we met assistentie van een van de Bergumers (die ook allemaal in Holtenau liggen!) verwoede pogingen om de Navtex aan de gang te krijgen. Ik bel daarover zowel met de Duitse als de Nederlandse vertegenwoordiger, maar word enigszins van het kastje naar de muur gestuurd. En dat terwijl het in eerste instantie alleen maar gaat om een klein stukje software, dat gemakkelijk aan een e-mail gehangen zou kunnen worden. Maar misschien is het apparaat ook wel gewoon kapot. We krijgen er tenminste geen zinnige regel tekst uit!
Een van de Bergumers (kennelijk een electronica expert!) probeert zelfs met enig soldeer werk de Navtex aan de praat te krijgen. Helaas is ook dat tevergeefs.
Als dank installeer ik bij hem Fugawi op zijn laptop en laat hem zien hoe gemakkelijk BSB kaarten daarin kunnen worden geimporteerd. Hij ziet in een oogwenk zijn boot via GPS en Fugawi op het scherm verschijnen. Hij is onder de indruk.
Als we ons klaarmaken voor de nacht moeten we de landvasten nog wel wat verlengen. Het water stroomt met grote snelheid en het zakt bovendien ook aanzienlijk. Misschien wel een meter vergeleken met de stand van toen wij aanlegden. Door de landvasten langer te nemen, voorkomen we dat we de boot ophangen.
We gaan slapen.
Vrijdag, 5 juli 2002
Kiel naar Soenderborg
Nu worden we wel door de havenmeester gewekt. Na betaling van het liggeld, gaan we eerst brood kopen bij de locale slager. Het kleine kruidenierswinkeltje (gedreven door een oude dame) waar we anders altijd onze inkopen deden, is nu opeens spoorloos verdwenen. Kennelijk is de zaak beëindigd. Met broodjes en een exemplaar van de Kieler Nachrichten (voor de weerberichten) keren we terug naar de boot. Daarna ontbijten we. Vervolgens starten we de motor en varen achteruit de haven uit. We leggen aan bij de bunkerboot (een groot lang jacht, dat langszij op de sluis lag te wachten, moet plaats maken) en tanken een dikke 40 liter diesel. De prijzen zijn weer schrikbarend. Vergeleken met die in Nederland betalen we hier per liter meer dan 30 eurocent extra! A bloody shame! Daarna varen we de Kieler Fjord uit in de richting van de Friedrichsorter Enge. Jacco neemt het roer en ik voer de waypoints in en stuur ze door naar de GPS. Als ik echter probeer de stuurautomaat daarop te laten sturen, laat die het compleet afweten. Treurig genoeg kan ik die ook niet meer aan de praat krijgen. Ik sta dus (samen met Jacco en Annet) de hele reis te sturen!
De oorzaak wordt snel duidelijk: de V-snaar van de motor is gebroken en de accu’s worden niet meer opgeladen!
De reis zelf gaat overigens voorspoedig. We varen op de motor de Kieler Fjord uit en zetten daarna de zeilen. Er staat een windkracht 4 en de snelheid is heel redelijk: tussen de 4 en 5 knopen. Ter hoogte van Damp 2000 valt de wind weg. Tot Fals Hoeved varen we op de motor. Daarna zetten we de zeilen weer bij, ongeveer tot aan de vuurtoren van Kalkgrund. Daar strijken we het grootzeil en gaan op motor en fok het laatste uur in naar Soenderborg. Daar aangekomen gaan we onmiddellijk door de Kong Christian X brug, en leggen daarna aan bij een kleine watersportvereniging aan de oostoever van de Alssund. Daar gebeurt weer iets, dat nog nooit eerder gebeurd is! Ik laat me verrassen door de stroom, die dwars voor de boxen langs loopt en kom halverwege scheef tussen de palen terecht. Terwijl ik manipuleer met de motor, begint die opeens een verontrustend bonkend geluid te maken. Tegelijk zie ik de rechter achtertros snaarstrak over boord hangen: tros in de schroef! Ik zet de motor in de vrij en probeer voorzichtig aan de landvast te rekken, in de veronderstelling, dat die wel muurvast zal zitten. Tot mijn verrassing geeft hij mee en houd ik een gerafeld, doorgehakt eindje in handen. Naar ik vrees zit de rest in de schroef! Maar als ik even later voorzichtig de motor weer even probeer, zie ik het vertrouwde schroefwater weer onder het achterschip vandaan komen. Kennelijk geen losse einden in de schroef. Even later laat Annet de rest van de landvast zien. Blijkbaar heeft het ding met een bocht over boord gehangen en is alleen door de schroef gepakt. Gelukkig dat het zo is afgelopen. Ik zag mijzelf al een duik in het ijskoude water maken om de restanten van de tros uit de schroef te halen.
Als we de boot hebben aangelegd, lopen we naar het station in Soenderborg om een kaartje voor Jacco te regelen, die morgen om 08.00 uur met de trein vertrekt naar Nederland.
’s Avonds eten we macaroni en daarna gaan Jacco en ik op de fiets nog Soenderborg verkennen. Tevergeefs proberen we bij een lokaal benzinestation een andere V-snaar te pakken te krijgen. Van de havenmeester hebben we gehoord, dat we in Augustenborg zouden moeten zijn. Daar willen Annet en ik morgen met de fiets heen rijden. We moeten er voor 12 uur zijn, want daarna begint het Deense weekend!
Fietsend langs de kade zien we opeens een platbodem voorbij komen door de Als Sund. Het is de Trijn van Leemput uit Koudum, die in Holtenau voor ons lag. Jacco en ik zwaaien en als de opvarenden de kijker hebben geraadpleegd zwaaien ze enthousiast terug.
Terug op de boot proberen we de Deense telefoonkaart en volgens ons moet die gewoon weer opgeladen kunnen worden. Kunnen we misschien ook in Denemarken Internetten en/of Wappen!
Morgen om 07.00 uur opstaan!
Zaterdag, 6 juli 2002
Soenderborg naar Dyvig
De palmtop begint om 5 minuten voor 7 te piepen. We moeten eruit en ons klaarmaken om Jacco naar de trein te brengen. We ontbijten en zetten de fietsen gereed. Het regent constant. We trekken onze regenpakken inclusief laarzen aan. Jacco en ik fietsen om half acht naar het station, terwijl Annet ons lopend nakomt. Tegen de tijd, dat Jacco per trein is afgereisd zal zij wel ongeveer bij het station zijn gearriveerd en gaan we samen verder naar Augustenborg om een V-snaar voor de motor te pakken te krijgen. De Deense spoorwegen zijn zeer op tijd. Exact om 8 uur vertrekt de trein met Jacco aan boord. Hij reist nu eerst naar Flensburg, koopt daar een kaartje voor de rest van de tocht en reist dan zo verder naar Amsterdam en Zaandam. Annet en ik stappen op de fiets en rijden langs beregende wegen naar Augustenborg, dat gelukkig niet echt ver weg ligt: zo’n 6 kilometer fietsen. Als we onderweg zijn bedenk ik, dat het misschien nog te vroeg is om in de winkel terecht te kunnen. De gemiddelde openingstijd op zaterdag is immers 09.30. Als we aankomen is het nog geen 09.00 uur. Gelukkig is de werkplaats open en weet de man onmiddellijk wat we bedoelen. Hij gaat ons voor naar een magazijn in een kelder en heeft binnen de kortste keren twee V-snaren die voldoen aan de specificaties. Ik koop ze allebei, want zonder een reserve voor dit onderdeel wil ik niet meer varen! Opgelucht rijden we weer terug naar Soenderborg. Het is inmiddels droog geworden. Echter in het kader van de ‘dingen die nog nooit eerder gebeurd zijn’ (althans in onze vakanties) raakt mijn achterband lek. Ik probeer eerst reparatie uit te stellen door de band heel hard op te pompen en snel door te fietsen in de (ijdele) hoop dat hij het tot de boot zal houden. Dat blijkt niet te werken. Dus draaien we de fiets om, demonteren de band en sporen het lek op. Dat lukt zonder veel problemen. Ook het plakken is een fluitje van een cent en met tien minuten rijden we weer verder. Toch maar eens naar nieuwe bandjes gaan omzien, denk ik!
Terug in Soenderborg gaan we eerst langs bij een winkel van Tele Danmark om de VicTid kaart van de telefoon op te waarderen. Dat lukt. Ook de gegevens voor WAPpen worden in de telefoon gezet. Tevens kopen we een telefoonkaart voor een normale celtelefoon en gaan daarna naar de supermarkt om brood e.d. te kopen. Tegen 12.00 zijn we weer terug op de boot, waar we van een welverdiende siesta genieten. Tegen 15.00 besluiten we echter verder te varen. We gaan naar Dyvig en zeilen het eerste stuk door de Als Sund. Als we daarna de bocht om gaan valt de wind weg en gaan we op de motor verder. Tegen 16.00 arriveren we in de haven en met enige moeite lukt het om een plekje te vinden. We nemen de fietsen en gaan een kijkje nemen in het enkele kilometers verder gelegen Nordborg. Klein leuk plaatsje, waar we vooral de locale pizzeria van binnen hebben bekeken. Lekker gegeten, pizza, besproeid van ‘Fad-oel’, zoals de Denen tapbier noemen. Kostte overigens wel 8 Euro voor twee glazen!
Daarna weer naar de boot, havengeld betaald en een aanpassing gepleegd om de Eurostekker, die in jachthavens gebruikt wordt om stroom aan boord te krijgen. Ik heb bij de stekker een Euro-contrastekker gemonteerd. Als alle stekkerdozen vol zijn (zoals in Dyvig het geval is!) kun je toch nog een beetje stroom aftappen, door gewoon de stekker van een ander eruit te trekken en je eigen stekker ervoor in de plaats te steken. De stekker van de buurman wordt dan vervolgens in de contrastekker gestoken en iedereen is weer gelukkig! Heb de zaak eerst zorgvuldig doorgemeten om knetterende kortsluitingen te voorkomen. Niks gehoord of gezien van vonken, dus het zal allemaal wel goed zijn gegaan.
Het Internetten via de Denen blijkt niet te lukken. Kennelijk hebben ze hun Wap lijnen voor Internet misbruik afgesloten. Flauw hoor! Ik stuur Jacco een SMS om te vragen of hij geen gratis account in Denemarken voor me kan regelen op Internet. Hij zal dat proberen.
Joyce en Patrick SMSsen dat ze veilig in Frankrijk zijn aangekomen en zo kan iedereen gerust gaan slapen. Dat doen we ook en morgen slapen we uit!
Zondag, 7 juli 2002
Dyvig naar Assens
We staan laat op: pas tegen 10.00 uur! Daarna ontbijten we eerst uitgebreid en maken ons dan rustig gereed voor vertrek. De wind is kracht 3 / 4 uit het ZW. Gelegenheid genoeg dus om alle mogelijke kanten op te gaan. We willen proberen zo noordelijk mogelijk te komen langs de kust van Jutland. Voor vandaag plan ik een route naar Assens op Fuenen, een mooie halte onderweg naar Kolding, Vejle en Horsens en Aarhus. Zouden we in een paar dagen moeten kunnen doen. We trekken de boot voorzichtig de box uit en varen naar de nauwe uitgang van Dyvig. Daarna zetten we de zeilen en kruisen we het gat uit. Het duurt geruime tijd voor we de draai naar stuurboord kunnen maken, maar dan gaat het ook zonder problemen. De snelheid ligt rond de 3 a 4 knopen. Niet echt gierend hard, maar hard genoeg voor mensen die al veels te veel wind en regen om de oren hebben gehad. Dit gezapige gangetje is heerlijk om mee te maken, vooral omdat de zon ook nog zeer regelmatig schijnt. Bovendien is de hemel boven ons voor de afwisseling nu eens geen grijze, grauwe massa, maar zien we blauwe lucht met witte (OK, soms ook donkergrijze!) wolken erin. Als we de bocht van Als om zijn zetten we met viltstift een koerslijn op plastic map waar de kaart in zit en strepen op gezette tijden aan waar we volgens Fugawi ergens zijn. Zo kunnen we de zaak een beetje bijhouden voor het geval alles opeens mocht uitvallen of zo. Helaas werkt de stuurautomaat alweer niet naar behoren. Hij houdt het gemiddeld net een minuutje vol en klapt er dan uit. Ongeacht of ik alleen de voorliggende koers of op de GPS laat sturen. We doen een paar proefjes (namelijk het al dan niet inschakelen van de motor en de generator) waaruit onomstotelijk blijkt, dat de lichtaccu de vereiste hoeveelheid stroom niet kan leveren. We zullen t.z.t. over moeten stappen op een aparte accu voor dingen als GPS, stuurautomaat, radar, en dergelijke. Die accu zal dan in de haven apart moeten worden opgeladen, willen we het hele electrische circus aan de gang kunnen houden. Het duurt tot 17.00 voor we in de buurt van Assens beginnen te komen. Dan zie ik aan het gedrag van de binnenvarende boten (die namelijk een hele ruime bocht nemen om de haven in te komen) dat we beter niet rechtdoor naar de haveningang kunnen varen. Beter toch eerst de noordelijke ondiepte ton te ronden, ook al steken wij maar 1.15. Voorzichtigheid is de moeder van enzovoorts. Omstreeks 17.30 maken we vast in een box aan de Gaestebro, de gastensteiger, geassisteerd door een Duitse en een Nederlandse buurman. Vervolgens gaan Annet en ik naar de havenmeester en betalen het liggeld: 100 kronen! Het hoogste bedrag dat we in Denemarken kwijt zijn geweest! Beetje jammer natuurlijk … Na het eten nemen we ons voor om Assens te gaan kijken, maar de aloude regen gooit roet in het eten. Het begint te miezeren en dat houdt voorlopig niet meer op. We zullen hopen, dat het morgen weer droog is. Komt een bezoek aan Assens wel een latere keer.
Om 20.30 echter stopt de regen en besluiten we toch nog maar even naar Assens te wandelen. Annet had liever de fietsen gepakt, maar ik vind dat te veel werk. Achteraf had ze wel gelijk, want het is vanaf de jachthaven een ongans stuk lopen. De jachthaven bevindt zich enigszins in het industriegebied van Assens en het centrum van het stadje (voorzover je van een centrum kunt spreken) ligt een paar kilometer verderop. Daar komt nog bij, dat je om de hele haven heen moet lopen. Maar het is droog, dus waar klagen we over. Assens zelf is niet om over naar huis te schrijven. De kerk is in de gauwigheid bezien het enige dat echt de moeite waard is. Maar uiteraard is die om 21.00 al lang dicht. Overigens houden ze er wel kerkdiensten: elke zondagmorgen om 10.00 uur. Misschien iets om voor later te onthouden. Verder komen we op straat alleen Deense gezinnen met kinderen tegen, die allemaal aan ijsjes lopen likken. Kennelijk is dat het uitje voor de zondagavond. We gaan weer terug naar de boot en kruipen er maar vroeg in. Morgen gaan we verder.
Maandag, 8 juli 2002
Assens naar Kolding
Om half negen zijn we wakker. We smeren brood en ontbijten aan boord. Daarna maak ik gereed voor vertrek: de huik van het grootzeil, de computer en de GPS opgestart, de olie van de motor gecontroleerd, de oplader (die we gisteren op de stroom van de steiger hadden geïnstalleerd voor het bijladen van de lichtaccu) uitgeschakeld. Dan varen we met assistentie van de (Duitse) buurman de box uit. De motor draait ongeveer 10 minuten en dan staan de zeilen. Motor uit en tot de invaart van de haven van Kolding gaat hij niet meer aan.
De wind is uit zuidelijke richtingen en het eerste rak is pal voor de wind. Het grootzeil gaat over stuurboord en de fok (met fokkeloet) breeduit over bakboord. Schommelend gaan we in de richting van de wind. Snelheid tussen de 4 en 5 knopen. Het zicht is niet geweldig, maar Fugawi laat ons precies zien waar we zijn. Omdat we de lichtaccu gisternacht hebben bijgeladen, veronderstellen we dat de problemen met de stuurautomaat (die er telkens mee uitscheidt) inmiddels overwonnen hebben. Dat blijkt dus niet het geval. Het gaat een half uur goed, maar dan weigert de stuurautomaat weer met de GPS samen te werken. Het beste dat we kunnen bereiken, is dat hij de voorliggende koers volhoudt. Nu ja … beter dan niets, maar toch niet wat de bedoeling is! Als er in Kolding een Internetcafe is moet ik toch eens in een nieuwsgroep kijken naar problemen in de samenwerking tussen een Garmin 120 en een Navico Wheelpilot 300CX! Uit de handboekjes van de apparaten word ik in elk geval niet veel wijzer: allebei beweren ze om het hardst dat ze NMEA ondersteunen. Dat zal wel, maar welke versies dan precies?
Op het tweede rak varen we ruime tot halve wind. Hier heeft de stuurautomaat de neiging (als hij al met de GPS wil samenwerken) om tenminste 10 graden te hoog te sturen. Heel vervelend allemaal. Zo moet ik het stuurwerk weer zelf gaan doen. Daar had ik toch geen stuurautomaat voor gekocht?!
Maar de snelheid laat niet te wensen over: dik 5 knopen. Zo duurt het niet lang of we komen in de buurt van de Snaevringen, alwaar we bakboord uit gaan naar Kolding. Op de vaart door de geul naar de haven komt ons een Nederlandse coaster tegemoet, de LIAMARE uit Delfzijl. Als hij ons passeert komt er gauw even iemand uit het stuurhuis naar de railing lopen om naar ons te zwaaien. Heeft natuurlijk onze vlag gezien. We zwaaien enthousiast terug. Aardig van hem om zo attent te zijn!
We halen eerst het grootzeil weg en daarna de fok. Die levert wat problemen op. Kennelijk zit de reeflijn enigszins bekneld in de trommel, want ik moet naar voren en een paar harde rukken aan het ding geven voor hij weer normaal functioneert. Bij gelegenheid maar eens nakijken.
In de haven vinden we al gauw een lege box. Met assistentie van een aardige Deen leggen we de boot vast. Dan halen we de fietsen te voorschijn en rijden de wal op. In een shop bij de haven vraag ik naar ‘Maps for the Baltic’. Het meisje kijkt me vriendelijk aan en zegt met een stalen gezicht en droge ogen, dat zij ze niet heeft en dat ze ook geen idee heeft waar in Kolding ik die kan krijgen! De trut! Naar even later blijkt, heeft de watersportshop ernaast alle kaarten die je ooit zou willen hebben! Broodnijd of zo? Nu ja … even later is ze weer uitgebreid in gesprek met een vriendje. Dat is kennelijk veel belangrijker dan zo’n lastige Hollander met zijn idiote ‘maps’ …
We rijden verder het stadje in, doen inkopen bij een supermarkt en krijgen uitgebreide inlichtingen over waar we een Internetcafe kunnen vinden. Er zijn dus ook hulpvaardige Denen! We rijden op de aanwijzingen van het winkelpersoneel recht naar het Internetcafe en versturen mailtjes naar Jacco en Reynold. Ook kijk ik even in de nieuwsgroepen naar problemen met Garmin en Navico. Die blijken er inderdaad te zijn. Er zijn klachten over slechte samenwerking tussen de twee, wat vast zou zitten op de Garmin, die geen reguliere NMEA zinnen over de lijn verstuurt, waarop de Navico weer afhaakt. Lastig allemaal. Ik zal maar eens een mailtje aan Garmin sturen met de vraag wat ik daaraan kan doen. Op hun site blijkt echter, dat je dan eerst het serienummer van je GPS moet meesturen, anders helpen ze je niet! Tjonge-jonge-jonge … Maar goed … ik zal het bij gelegenheid opschrijven. Misschien gaan we vanavond nog even Internetten.
Terug aan boord drinken we een borrel en Annet maakt het avondeten klaar: couscous met gehakt en allerlei groenten. Erg lekker. Ik schrijf dit verslag en we rusten wat uit. Tevens importeer ik de BSB kaarten van de nieuwe kaartenset. Nu kunnen we tenminste onder leiding van Fugawi naar Aarhus, als het zover is. De fietsen staan nog op de wal. We kunnen nog even in de stad gaan kijken.
Dat doen we dus ook. We nemen de fietsen en gaan weer bij het Internetcafe kijken. Op de weg erheen gaan we over het haventerrein. Dat kan namelijk ook, naar we ontdekt hebben, en het is bovendien veel veiliger, omdat je de drukke autoweg niet hoeft over te steken. Bij het Internetcafe huren we weer een machine en vragen per e-mail aan Jacco om de gegevens voor het aanvragen van een gratis account bij Cybercity.dk. Dat kun je namelijk online aanvragen. Je krijgt meteen een gebruikersnaam en wachtwoord en een inbelnummer. We zullen aan boord wel proberen of het werkt. En anders bellen we morgen de helpdesk. Ik meen me namelijk te herinneren, dat je voor een mobiel nummer een ander inbelnummer hebt dan voor een vast aansluiting.
Na het Internetcafe gaan we de stad in en vinden inderdaad het winkelcentrum. Er zijn nog maar een paar cafés of kroegen open. We bekijken de kerk en het ‘Koldinghus’ van de buitenkant. Vervolgens rijden we weer terug naar de haven en luieren de rest van de avond aan boord. We drinken wat sherry, die we van Jacco’s vader hebben gekregen. Droog en erg lekker!
We realiseren ons pas op het eind, dat dit eigenlijk de eerste avond in de vakantie is, dat we ’s avonds in de kuip hebben gezeten! Eerder was de temperatuur daar steeds te laag voor. We zullen hopen, dat dit een eersteling is, waarop er meer zullen volgen. Tegen elf uur gaan we naar bed.
Dinsdag, 9 juli 2002
Kolding naar Middelfart
We staan omstreeks 08.00 op en maken ontbijt. Nadat we dat gebruikt hebben, pleeg ik een telefoontje met de mensen van Cybercity.dk, de provider waar ik gisteren een free account heb aangemaakt. Ik heb geprobeerd op het normale inbelnummer met de mobiel contact te maken, maar dat is niet gelukt. Ik herinner me nog van vorig jaar, dat er een apart nummer voor mobiele telefoons is. Joost mag weten waarom, maar als het maar werkt. Ik krijg een heel vriendelijke juffrouw aan de lijn, die mij vraagt wat het Deense adres is, waar ze de rekening naar kan sturen. Ik zeg, dat ik vorig jaar ook geen Deens adres had en toch een account, en waarom ze voor een free account in vredesnaam rekeningen willen gaan sturen. Ik stuit op een muur van bureaucratie: dat is nu eenmaal regel, een buitenlands adres mag niet, want ze sturen geen rekeningen naar het buitenland, alleen binnen Denemarken en dat ik een free account heb, maakt niets uit. Het maakt ook niets uit, als ik hierna nog de supervisor van de juffrouw aan de lijn krijg, want die mevrouw vertelt me hetzelfde verhaal. Inderdaad: vorig jaar had ik een Deens adres opgegeven, anders had ik nooit een account gekregen. Ik meen me vaag te herinneren, dat ik het adres van de Bukh diesel fabrikant had opgegeven in Aabenraa, maar ik meen ook vrij zeker te weten, dat ik daarna telefonisch mijn adres in Nederland heb opgegeven. Maar het mag allemaal niet baten: het kan niet, en het gebeurt niet. Dit jaar geen account bij Cybercity.dk … Ik overweeg na het telefoontje nog even om een namaak Deens adres op te geven, bijvoorbeeld van de slager uit Kolding, van wie we een foldertje aan boord hebben, maar bij nader inzien zie ik er toch maar van af. Dan maar geen Internet, dan maar alleen WAPpen. We maken de boot gereed voor vertrek. De fietsen hadden we gisteravond al weer weggeborgen. De standaard dingen worden geregeld: acculader losgemaakt, olie gecontroleerd, GPS aan, computer aan, enzovoorts. Dan trekken we de boot achteruit de box uit. Annet houdt het voorschip bij de boot in de box ernaast. Het gaat lastig. De wind is dwars over bakboord, en het achterschip wil om de een of andere duistere reden niet wegwaaien. Misschien staat er een beetje stroom in de haven? Nu ja … met veel gewurm (schroef achteruit, stootje vooruit) lukt het uiteindelijk. De schroef is namelijk rechtsdraaiend en trekt het schip bij achteruitslaan dus naar links, wat bij de onderhavige manoeuvre precies de verkeerde kant is. Als we de haven uitvaren bedenken we, dat de havenmeester niet langs is geweest voor het havengeld. Hebben we dus voor niks gelegen. De wind is pal uit het oosten en dat is exact de richting waarin wij varen. We willen namelijk naar Middelfart. Vorig jaar hebben we daar in een heel aardig jachthaventje gelegen: de Kongebro haven, net onder de spoorbrug aan stuurboord in de Snaevringen. Je moet er wel heel vroeg zijn, als je een ligplaats wilt, want het is maar klein en erg in trek. Als we echter omstreeks 11.30 komen aanvaren, zijn er nog een heel aantal ligplaatsen beschikbaar. We leggen de boot voor de kant en rommelen dan wat met allerlei klusjes. De telefoon gaat en een jongen van Compass (onder Navtex leverancier) belt. Hij zal vandaag of anders morgen de software naar mijn e-mail adres versturen! Ik dank hem hartelijk en hoop, dat hij de waarheid spreekt. Vervolgens piept de telefoon weer en is er een SMS van Jacco. Hij heeft het mobiele inbelnummer van Cybercity. Als ik de externe toegang daarop aanpas en het nummer draai met de mij verstrekte gebruikersnaam en het bijbehorende wachtwoord, werkt de verbinding alsof hij nooit anders gedaan heeft. Nu breekt mijn klomp. Geen Deens adres en toch een account? Maar kennelijk geldt hier: vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan! Dat doen we dan ook maar. De wegen van de Internet Denen zijn ondoorgrondelijk!
We halen de fietsen tevoorschijn en rijden naar het stadje. Eerst naar het VVV, waar naar we weten een Internetmachine staat. Die staat er nog net zo. Ik mail aan Jacco mijn wonderlijke wedervaren met Cybercity en daarna gaan we wat inkopen doen: viltstiften, schriften, aardbeien en ijs. Met die buit rijden we terug naar boord. We verorberen een groot deel van het ijs en doen de rest in de koeltas, en dat weer onder de luiken in de kajuit. We hopen dat het zo koud blijft, dat we er vanavond nog wat van kunnen eten. Dan nog een glaasje en daarna slapen. Inmiddels is het namelijk zo gruwelijk warm geworden, dat we helemaal van slag raken en het geplande fietstochtje naar Fredericia maar even uitstellen. Om half vier is het zover. We rijden de spoorbrug over naar de andere kant van het water en vervolgen de weg naar een Miniby, dat daar ergens zou moeten liggen. Een verkleinde uitgave van Fredericia, zoals het honderd jaar geleden was. Het ziet er erg aardig uit. Met wallen en kleine kanonnen op de wallen, een schip in de haven en vele gebouwen op schaal nagemaakt. Het lijkt wel een heel klein beetje op Madurodam, hoewel dat veel spectaculairder is. Maar ik denk dat de Denen hier vooral een historisch verantwoord project van hebben willen maken. Er zijn namelijk lokalen bij, waar leerlingen over de geschiedenis van Fredericia onderwezen kunnen worden en pas daarna de zaak in het klein in ogenschouw kunnen nemen. Meer historisch verantwoord, en dus ook eigenlijk een beetje saai. Maar wel interessant!
We rijden in de warmte weer terug naar Middelfart. Onderweg moeten we verschillende colletjes nemen, want Denemarken is hier zeker niet vlak te noemen. De conditie wordt dus wel opgevijzeld, maar het kost wat zweetdruppels.
Terug aan boord eten we onze avondmaaltijd: gehaktballen met aardappelsalade en mais, restant ijs als dessert. Het is niet precies ijs meer, maar meer een soort bavarois, maar niettemin erg lekker.
Na de maaltijd en de afwas nemen we een douche en gaan dan nog even op een bankje naar de voorbijvarende schepen zitten kijken. Kun je uren volhouden. Ons is dat niet beschoren, want er breken een paar kleine onweersbuien los met nogal wat regen. De Denen (die natuurlijk allemaal aan het barbecuen zijn, de nationale sport hier!) vluchten alle kanten uit om de regen te ontlopen. Niet zodra is het droog of de barbecuestellen roken weer. Ik tik dit verslag in en neem daarna een borrel.
Morgen verder naar … nou ja … in de richting van Aarhus.
Woensdag, 10 juli 2002
Middelfart naar Juelsminde
Omstreeks half acht worden we ruw gewekt door de havenmeester, die hard aanklopt. Hij wil zijn liggeld hebben: 95 kronen. Als we betaald hebben, zijn we al zo wakker, dat we ons maar aankleden en gaan ontbijten. Daarna maak ik de boot klaar voor vertrek. Ik internet nog even naar Cybercity om de laatste weerberichten op te halen en kom tot de ontdekking, dat ik die allang heb. Bovendien kost het om deze tijd van de dag behoorlijk veel kronen om per mobiel in te bellen. Kortom: ik had dat beter niet kunnen doen. Als we tegen 10 uur willen vertrekken, merken we dat het zicht steeds slechter wordt. De grote verkeersbrug (op amper een kilometer afstand) is al bijna niet meer te zien. We besluiten maar even af te wachten.
Als we een uur gewacht hebben, begint de zon door te komen en wordt de brug weer (een beetje) zichtbaar. We gooien los. Op de Snaevringen merken we echter, dat de mist in banken op het water ligt. Het ene moment heb je enkele honderden meters zicht, het volgende moment is het zicht tot enkele tientallen meters beperkt. Eigenlijk niet echt leuk om zo te varen. Maar ja … we zijn van wal gestoken en we gaan dus ook maar verder. Wel vraag ik Annet om de radar vast op te starten. Die zouden we nog wel eens nodig kunnen hebben. Op de Snaevringen valt het allemaal wel mee, maar als we het gat uit zijn en richting Juelsminde varen (ongeveer een kleine 2 uur verderop) wordt het zicht allengs minder. Annet heeft zich intussen ontwikkeld tot een echte radar operator en geeft trouw alle contacten door. Als we ze recht vooruit hebben, sturen we een beetje naar bakboord om ze zo voorbij te laten gaan en dat werkt in eerste instantie prima. Op Fugawi kunnen we trouwens perfect bijhouden, waar we ons op zee precies bevinden. De koerslijn is overgenomen op de plastic map waar de kaart in zit en om de tien minuten zetten we met een dwarsstreepje en het tijdstip onze positie in de kaart. Twee meeliggende zeilboten hebben we (wij varen op de motor, omdat er vrijwel geen wind is) weldra ingehaald en al snel verdwijnen beide schepen in de mistflarden achter ons. We zijn alleen en ons wereldje wordt heel, heel erg klein. Onderscheid tussen zee en hemel is er niet meer te zien. Het is een grauwe, grijze massa, waar alleen de zon zo nu en dan even doorheen pinkelt. We zien een grote kustvaarder aan stuurboord voor ons op tegenkoers, in de aanloop naar de Snaevringen zoals het hoort. Dan zien we geen schepen meer, en ook op de radar is even niets te zien. Maar dan verandert dat snel. Annet meldt enkele contacten aan stuurboord en recht vooruit en om ze te ontwijken draaien we naar bakboord. Dat blijkt niet echt te helpen, de contacten blijven op ons afkomen. Ik minder vaart tot 3 knopen en tuur over stuurboord. Op 50 meter duiken er plotseling twee Deense motorjachten op uit de mist. Ze varen naast elkaar op een koers, bijna dwars op de onze. Als we niet hadden geweten dat ze daar zaten, hadden we een goede kans gemaakt er bovenop te varen! De jachten hebben kennelijk geen radar bij en varen blijkbaar op goed geluk in de richting van de wal om uit te vinden waar ze ergens zijn. Niet echt helemaal safe volgens mij …
We varen verder, langzamer nu en gespannen uitkijkend in de mist. Dat wil zeggen: ik kijk in de mist en Annet zit achter de radar en meldt wat ze aan contacten waarneemt. Het is een geruststellend idee, dat we niet zomaar opeens overvallen kunnen worden door een coaster, een visser of een mede-watersporter. We hebben bij elk contact tenminste 10 minuten tot een kwartier reactietijd. Het lukt een aantal keren om de contacten uit de weg te blijven, maar het komt ook voor, dat we een zeilboot aantreffen op een koers, die dwars op de onze loopt. Weer zien we hem (omdat we weten dat hij er moet zijn) tijdig, op een afstand van zo’n vijftig meter. Maar zonder radar zou dit geen varen, maar gokken zijn geweest!
Na een half uur neemt de dichte mist af. We kunnen de radarcontacten nu ook met het blote oog waarnemen en de rest van de tocht naar Juelsminde verloopt zonder verdere bijzonderheden. In de haven vinden we weldra een ligplaats, achter een Nederlands motorjacht, bemand door een echtpaar, waarvan de man Parkinson heeft. Ze zijn al sinds april onderweg en gaan nu heel kalmaan weer terug richting Nederland. Vandaag zijn ze vanwege de mist maar in de haven blijven liggen. Als de vrouw Annettes verhaal over de radarnavigatie hoort, is ze blij dat ze niet op pad zijn gegaan. Na een middagslaapje nemen we de fietsen en gaan Juelsminde verkennen. Daar is een grote kermis gaande. Er wordt in een biertent ‘Fadoel’ getapt en Annet en ik nemen elk een halve liter. Voor Deense begrippen is het goedkoop: 15 kronen per glas … Dat is ongeveer 2,5 euro. We nemen de verschillende attracties in ogenschouw: allerlei angstaanjagende toestellen, zoals een vrije val machine, een soort bungee jump machine, een gigantische molen met twee wieken, waarbij aan de uiteeinden stoeltjes zijn bevestigd, waarop de slachtoffers tegen betaling moeten plaatsnemen, enzovoorts. We laten het bij kijken. Na terugkeer in de haven hebben we onder het genot van een glaasje en chips een heel gesprek met de Nederlanders voor ons. Ervaringen worden uitgewisseld over schepen en vaar-aangelegenheden. Heel grappig en heel herkenbaar. ’s Avonds eten we in een FiskeBistro, waar we tegen een redelijk bedrag vis, patat en groente kunnen krijgen. En natuurlijk een glas onvermijdelijke ‘Fadoel’. Ik heb mijn portie bier voor vandaag wel weer binnen.
Terug aan boord type ik dit verhaal in en zet de koers uit naar Aarhus. Als het weer ons morgen niet in de steek laat willen we de laatste sprong van een dikke dertig mijl naar de eindbestemming maken. Daarna vangen we de terugreis weer aan.
Als ik dit schrijf is de wind NW, kracht drie, met donkere wolken in het oosten … We zullen zien.
Donderdag, 11 juli 2002
Juelsminde naar Hov
We worden tegen 08.00 uur wakker. Gisternacht moest ik de vallen nog van de mast binden, het begon hard te waaien en te regenen uit het W tot NW. Niettemin hebben we een rustige nacht gehad. Geen geklapper van vallen tenminste. De buurman van het Duitse jacht voor ons meldt, dat er in Berlijn noodweer geweest is afgelopen nacht. Honderden bomen zouden zijn omgewaaid en op een camping zouden zelfs twee mensen om het leven zijn gekomen, doordat een boom op hun tent viel. Tragisch. Momenteel schijnt bij ons de zon en belooft het een stralende dag te worden. De wind is stevig, kracht vier met uitschieters naar vijf, richting Z tot ZW. We ontbijten, eten de laatste aardbeien op en maken de boot gereed voor vertrek. We varen daarop de haven uit en steken het schip op in de wind. Ik zet het grootzeil en daarna vallen we af. We proberen de fok over stuurboord te zetten, met de boom erbij. Dat lukt niet erg. De wind valt er soms net achter en Annet heeft grote moeite om de boom gemonteerd en later gedemonteerd te krijgen. We nemen ons voor op het volgende rak het grootzeil in de wind te zetten en de neerhouder te gebruiken als bulletalie. Dat hebben we een vorige keer ook gedaan en dat bevalt prima. De neerhouder kan met een musketonhaak aan de mast of aan de zeerailing bevestigt worden al naar gelang het gebruik en dat werkt goed. Het eerste rak naar een waypoint net ten zuiden van de eerstvolgende landtong is vervelend. De wind draait een beetje tussen ruim en pal voor de wind, zodat de fok klappert en niet goed meetrekt. Helaas is daar even niets aan te doen. Volhouden, tot we kunnen afvallen.
Weldra kan dat en wordt het grootzeil over bakboord en de fok over stuurboord gezet. Het schip vaart onmiddellijk rustiger, zij het dat ze regelmatig heen en weer schommelt, als een melkmeisje met twee zware emmers aan het juk. Ongeveer tot half elf gaat dat prima. Dan neemt de wind verder af en zakt de snelheid weg naar minder dan 3 knopen. Zo komen we er niet. De motor er maar bij. Het grootzeil gaat weg, en het ijzeren grootzeil gaat bij. De fok laten we nog even staan.
Tijdens het varen is het van groot belang dat we telkens iets stuurboord van het uitgezette track blijven. De tracks lopen namelijk redelijk dicht (nou ja … een paar honderd meter) langs een stel gevaarlijke ondieptes: eentje van 30 en eentje van 90 centimeter. We steken niet diep, maar daar zouden we toch met een klap op vastlopen. Goed vrijblijven dus! Met Fugawi bij de hand lukt dat uitstekend. Toch beseffen we, dat we op deze manier Aarhus niet halen. We besluiten dus in Hov te gaan liggen, een klein haventje halverwege de route. De nadering van de haven is nogal ingewikkeld. Fugawi moet op 100% en soms nog meer uitvergroot worden om de details goed te kunnen zien. Bovendien wil er net op het moment, dat wij naar binnen willen, natuurlijk weer een veerboot binnen lopen. We maken een stormrondje en laten hem voorgaan. Daarna varen we achter hem aan de geul in, en gaan na de derde groene ton bakboord uit. Daar staan wat kleine rode tonnen aan bakboord en kennelijk dienen die als toeleiding naar de jachthaven. Dat blijkt te kloppen. In de haven is het een beetje een heksenketel. De golven lopen schuin naar binnen en vooral vlak bij de ingang liggen de schepen te rijden alsof ze tegen windkracht 5 moeten opboksen. Wij varen verder de haven in. Op de kant staat iemand te zwaaien naar de laatste box in de uiterste hoek van de haven. We varen erheen en inderdaad: groen bordje … hij is nog vrij. Wij erin. Dat valt niet mee, omdat het lager wal is en Annet geen kans ziet een tros om de bovenwindse paal te gooien. Ik krijg wel een tros om het benedenwindse exemplaar, maar dat is natuurlijk niet voldoende om het schip recht in de box te krijgen. Het wordt een heel gewurm. Annet staat met de twee voortrossen op de wal, en ik moet met behulp van de pikhaak en de zijlijn, die tussen de palen is gespannen proberen het schip zover naar de bovenwindse paal te trekken, dat ik er een trosje omheen kan gooien. Dat lukt uiteindelijk, maar het verdient geen schoonheidsprijs. Nu ja … kniesoor die daar op let! Bij nader inzien (en dat is vervelender!) blijkt het groene bordje de tekst te bevatten, dat hij tot donderdag 14.00 uur vrij is. Kennelijk zal de eigenaar daarna zijn eigen schip er willen neerleggen. Het wordt in de haven steeds drukker en het is eigenlijk onmogelijk om een ander plekje te vinden. Daarom besluiten we de tekst op het bordje te negeren en de bus naar Aarhus te nemen om daar Den Gamle By te gaan bekijken. Als we niet aanwezig zijn, zullen ze onze boot ook niet gaan verleggen. En als we vanavond terugkomen, zien we het allemaal wel. Knappe jongen, die ons dan nog uit de box krijgt. Om de zaak helemaal overtuigend te regelen, valt het bordje daarna opeens in het water en kunnen we met recht zeggen, dat we helemaal nergens van weten.
De bus vertrekt om 14.00 naar Aarhus en daar aangekomen zoeken we eerst een Internetcafe op. We kijken onze postbox na en mailen naar Jacco en Reynold. Van de Compass jongens taal noch teken. Die kunnen we dus voor de rest van de vakantie wel afschrijven. Navtex en toebehoren kunnen ongebruikt retour afzender! Wat een waardeloze vertoning! En dat voor een apparaat van een kleine 250 euro! Ik begrijp het allemaal niet zo.
Vervolgens lopen we naar het stadsmuseum, waar men op een klein terrein oude huizen uit voorbije eeuwen heeft herbouwd of nagebouwd, zodat we vandaag nog kunnen zien hoe hoedenmakers, kleermakers, schoenmakers, boekbinders, apothekers, kruideniers, scheepsbouwers, fotografen, enz., enz. in voorbije eeuwen hebben geleefd. Erg leuk, erg interessant.
Tegen 17.30 lopen we weer terug naar het busstation. Onderweg kopen we bij een Chinees twee ‘China-boxes’. Het betreft hier kartonnen doosjes elk gevuld met drie gerechten naar keuze. Wij kiezen voor mihoen, garnalen en stukjes kip, overgoten met een rode saus. Het kost 25 kronen elk (4 euro dus ongeveer) en het smaakt heerlijk. Zouden ze in Nederland ook best eens kunnen doen!
Bij de haven aangekomen omstreeks 19.00 zien we van verre dat onze boot nog gewoon in de box ligt, maar dat er een Deens schip dwars tegen de palen achter ligt. We bereiden ons geestelijk voor op een uitgebreide discussie, maar het loopt allemaal met een sisser af. Het schip komt helemaal niet uit Hov, maar uit Fraederiksvaerk en de opvarenden hebben niets kwaads in de zin.
We drinken koffie en ik schrijf dit verslag. Ook zet ik alvast de route uit van Hov naar Middelfart, een stuk van 28 mijl. We zullen zien hoe het weer morgen is. Volgens de berichten zou het ZW 2 – 3 moeten zijn. Daar zouden we dan op de motor tegenin moeten. Dat zou te doen moeten zijn. Veel meer moet de windkracht echter niet worden, want dan wordt het stamp en spatwerk. Daar is al gauw geen lol meer aan.
Als we ’s avonds nog even langs de haven lopen zien we de havenmeester. Ik spreek hem direct aan en zeg dat we het havengeld willen betalen. Dat wordt onmiddellijk geregeld. We hebben nu tenminste betaald voor de ligplek en hopelijk meer recht van spreken als de oorspronkelijke eigenaar nog zou komen opdagen. Dat gebeurt echter niet. ’s Nachts waait en regent het nog heel behoorlijk, maar het avondrood voorspelt dat het morgen een rustige dag zal worden.
Vrijdag, 12 juli 2002
Hov naar Middelfart
Om halfacht staan we op en maken toilet. De wind is amper drie uit het Z. Annet haalt broodjes bij de bakker en ik maak het schip gereed voor vertrek. GPS en computer worden ingesteld, stuurautomaat ingeschakeld, motor gecontroleerd, kaarten gereed gelegd. Dan trekken we de boot aan de landvasten de box uit en zet ik de motor in de achteruit. De manoeuvres verlopen naar wens en om 08.00 zijn we tussen de havenhoofden. We varen de route van gisteren om het gat bij Hov uit te komen. Twee Deense bootjes blijven vlak onder de kust varen om zodoende een stuk van de weg af te snijden. Ik heb op de kaart gezien, dat wij daarvoor te diep steken. Voor ons de officiële route dus.
De zee is rustig en het water vlak. Alleen enkele kleine golfjes lopen er, maar die zijn niet de moeite waard. Moeiteloos kan de motor het schip een snelheid van dik 6 knopen geven. Als we de kardinale ondiepteton voor Hov voorbij zijn, neemt de automaat het sturen over. Ik hoef alleen op Fugawi te controleren of we vrij lopen van ondiepten en vul eens in de 15 minuten de positie in op de kaart, waarop ik de koerslijn al heb aangegeven. Telkens een streepje met het tijdstip en de magnetische kompaskoers. Dit laatste voor het geval de elektronica het opeens zou laten afweten. We weten dan in elk geval welke koers we moeten volhouden naar het volgende waypoint.
De twee Deense schepen, die hun afsteekroute hebben gevolgd, komen nu toch in ons kielzog te hangen. Met zijn drieën vervolgen we onze weg richting Juelsminde. Daar aangekomen draaien de Deense boten af. Die willen kennelijk het ‘Havnefest’ ter plaatse gaan meemaken. Wij varen door richting Middelfart. Net voor Juelsminde zien we een platbodem varen. Ik tuur door de kijker en meen dat het de Trijn van Leemput zou kunnen zijn. Om zeker te zijn roep ik ze via de marifoon op kanaal 10 op. Eigenlijk verwacht ik niet, dat ze het ding bij zullen hebben staan, maar ziedaar: ze reageren! Het blijkt inderdaad de “Trijn” te zijn en ze informeren belangstellend of wij inmiddels al teruggaan. We melden inderdaad heel langzaam weer richting Nederland te willen varen. We wensen elkaar wederzijds een goede vakantie en hopelijk nog eens tot ziens!
Onderweg wordt onze koers opeens gekruist door een zeewezen, dat ik er eerst van verdenk een bruinvis te zijn. Totdat het beest zijn hoofd uit het water steekt en hij een zeehond blijkt. Hij vervolgt zijn weg vlak voor onze boot langs en kijkt ons met zijn grote ronde ogen enigszins verwijtend aan. Prachtig om mee te maken!
Verderop zien we langs onze koers verschillende keren bruinvissen opduiken. Je krijgt er meestal amper meer van te zien dan de zwarte rugvin, maar het is toch elke keer een belevenis. Ik slaag erin een paar video opnames van de beesten te maken.
Tegen 13.30 beginnen we de Snaevringen binnen te varen. Als we onder de grote verkeersbrug door gaan, moeten we snel onze regenpakken tevoorschijn halen. Een dikke regenbui komt ons daar verrassen. Weldra is het echter voorbij en straalt de zon weer als tevoren. We besluiten niet in de Kongebro haven te gaan liggen, maar door te varen naar Jachthaven Russelbaek, net aan de andere kant van Middelfart. Omstreeks 14.30 liggen we daar in de box. We halen de fietsen te voorschijn en rijden nog even naar Middelfart. Annet wil sandalen kopen en ik heb nog een onderdeel voor de oplader nodig. Dat laatste vinden we zonder problemen, maar met de sandalen wil het helaas niet lukken. Terug op de haven eten we in het havenrestaurant een eenvoudige, doch voedzame maaltijd, overgoten met bier en gaan daarna aan boord. We maken er een zeer rustige avond van, die grotendeels bestaat uit luieren, lezen en koffie drinken. Heerlijk rustig is het hier. De wind is gaan liggen en je hoort hier eigenlijk helemaal niets. Fantastisch!
Zaterdag, 13 juli 2002
Middelfart naar Haderslev
Om 08.00 zijn we wakker, maken ons toilet, regelen de bootswerkzaamheden en gaan om 09.00 van start. De wind is kracht 3 a 4 uit het O, en ik heb een koers uitgezet naar Sottrupskov, met de aantekening, dat we eerder zullen stoppen als we geen zin meer hebben. De windkracht valt wat tegen. Het is eerder 3 dan 4. Maar de windrichting is iets positiever, namelijk meer NO dan O. Dat is gunstig, want daardoor kunnen we meer halve en ruime wind varen. Het is dus heel rustig varen. Onderweg zien we nog een aantal keren op- en onderduikende bruinvissen. Kennelijk is de Oostzee een gezond leefgebied voor die dieren! De enkele regenbui, die ons treft, duurt gelukkig niet lang. Toch gaat het niet snel. Slechts nu en dan komen we even boven de 4 knopen. Meestal zitten we rond de 3. Dit heeft tot gevolg, dat we ter hoogte van Aaroesund besluiten om naar Haderslev te gaan. Dat betekent weliswaar nog een uur de fjord in varen, maar in de eerste plaats is het daar een schitterende natuur en in de tweede plaats is Haderslev een aangenamer plek om te liggen dan de nogal kale jachthaven van Aaoesund. We motorren de fjord in en tegen 14.00 liggen we in een box. We halen de fietsen te voorschijn en maken een klein tochtje naar de locale supermarkt. We slaan daar allerlei Deense gerechten in: poelserbroodjes en bijbehorende bockworstjes, alsmede (ter garnering) mosterd en gedroogde uitjes. Ketchup hebben we nog aan boord, dus de poelserworstjes kunnen t.z.t. geheel naar Deens recept worden samengesteld! Verder voorzien we ons van de onvermijdelijke aardappelsalade en koopt Annet nog wat Ymer (een soort kwark) en oksekoed (rundvlees). Daarna gaan we terug aan boord en houden een korte siesta. Als we zien dat de Havnegrille (een soort havencafetaria) om half zes ’s avonds nog open is, gaan we daar eten. We vragen om de ‘Dagens rette’ en krijgen dus de dagschotel, die uit goelash blijkt te bestaan. Heel goed te eten, en uitstekend weg te spoelen met de onvermijdelijke ‘Fadoel’ in de bekende plastic halve litersbeker.
Na het eten rijden we per fiets naar de lokale Domkerk en stellen daar vast, dat de dienst morgenochtend om 10.00 uur begint. De organist is kennelijk al aan het vooroefenen, want we horen de orgelmuziek door de (helaas) gesloten deuren heen klinken. Op de terugweg rijden we langs de ijssalon waar we een vorig jaar al eens een Deens ijsje hadden besteld. We kunnen de verleiding niet weerstaan dat nogmaals te doen: een grote oubliehoorn wordt gevuld met twee bollen ijs van smaken naar keuze, een dikke plomp softijs van smaak naar keuze, een negerzoen, bavarois en de hele zaak opgeluisterd met een scheut siroop. Het ding (luisterend naar de naam ‘Amerikaner’) is likkend bijna niet te verorberen, je hebt beslist een lepeltje nodig. Ook is hij niet goedkoop: omgerekend 3 euro. Maar het is wel weer erg lekker!
Weer terug aan boord betalen we de havengelden en brengen de avond in de kuip in het avondzonnetje lezend en schrijvend door. Ook voeren we nog een heel gesprek met de Duitse buurman. Hij is inmiddels met pensioen en vaart met zijn vrouw in de zomermaanden overal rond in Denemarken. Dat doet hij al zo’n 30 jaar, zodat er geen haven meer is, waar hij niet geweest is. Hele verhalen krijgen we te horen over de watersport in Denemarken. De man beheerst inmiddels zo goed Deens, dat hij zelfs met Denen een redelijk gesprek kan voeren. Hij meldt ons, dat het jongetje van de overburen met verbazing naar onze fietsen had staan kijken en aan hem had gevraagd, wat die Hollanders aan boord van een zeilschip nou toch wel met twee fietsen deden: nu en dan een rondje rijden of zo? Even na achten WAP ik nog even voor de weersvoorspellingen en die luiden als volgt:
Belte und Sund: zondag ‘s morgens O4, ’s middags O3/4, ’s avonds NO2; Kieler Bucht: maandag ‘s morgens NO3/4, ’s middags NO3/4, ’s avonds NO3; dinsdag ‘s morgens NO4, ’s middags NO4, ’s avonds NO4 … Dat ziet er dus fantastisch uit! Als we terug willen naar Kiel is de kust van Schleswig-Holstein hoge wal en hebben we van het zeetje absoluut geen last. Nu nog hopen, dat de voorspellingen ook uitkomen!
Zondag, 14 juli 2002
Haderslev naar Sottrupskov
We staan omstreeks 08.30 op en nemen een rustig ontbijt. Daarna kleden we ons aan en zetten we de fietsen op de wal. Vervolgens rijden we naar de Domkirke en maken daar de dienst mee. Het is een uitgebreide liturgie. Behalve het Avondmaal (dat standaard gevierd wordt in de zondagse dienst) wordt er ook een kind gedoopt. Niet alleen de preek is dit keer volstrekt onbegrijpelijk, ook de liedteksten zijn dat voor het grootste gedeelte. De enige passage die ik snap en die mij bijblijft is de regel ‘Jakobs Gud vil dig bevare!’ … Nu ja … er zijn kerkdiensten, waar ik minder van meeneem!
Pas tegen 11.30 zijn we terug aan boord en steken we ook maar direct van wal. Het is een uur varen om de fjord uit te komen, zodat we omstreeks 12.30 aan de tocht naar Sottrupskov kunnen beginnen. Hoewel er O4 was voorspeld, staat er naar mijn beleving vast niet meer dan O3. We varen dan ook met de motor bij en zetten alleen de fok als steunzeil. Om 16.00 liggen we aan de steiger bij Sottrupskov. We aarzelen eerst nog een beetje, omdat het eigenlijk lager wal is en we nogal liggen te schommelen. Maar later op de avond neemt de wind af en wordt het rustiger. We eten ’s avonds in de Kro van Sottrupskov, Murat visfilet met champignons, artisjokken en paprika. Heerlijk! Weer terug aan boord brengen we de avond lezend en luierend door. Naast ons ligt een Duits jacht met twee echtparen aan boord. Ook zij eten in de Kro en komen lichtelijk aangeschoten weer terug naar de steiger. Het lukt drie van de vier opvarenden niet meer om de hoge punt van het schip te beklimmen, zodat Annet ze maar even ons krukje komt lenen. Dan gaat het wel. De Duitsers zijn zeer dankbaar. Omstreeks 22.00 uur luisteren we naar de Seewetterberichte, voorzover we die over de Deutschlandfunk te horen kunnen krijgen. De ontvangst is als vanouds beroerd, maar door de antenne tegen de stalen voorloop van de grootschoot te houden weten we de zaak net verstaanbaar te krijgen. De berichten zelf slaan overigens nergens op. Terwijl we via het WAPpen naar wetteronline.de te lezen hadden gekregen, dat we morgen met NO 4 te maken zouden krijgen, beginnen de Seewetterberichte over O5-6 te wauwelen, inclusief een Wellenhoehe van 1 tot 1,5 meter! We hebben dit jaar al eerder vernomen, dat de Seewetterberichte er volkomen naast zitten en (mogelijk uit overvoorzichtigheid) veels te hoge Beaufortwaardes afgeven. Nu ja … de weersomstandigheden zoals we die waarnemen houden ons niet voor de gek, en die omstandigheden zijn perfect! We genieten in de kuip nog even van de rustige zomeravond en gaan dan naar bed.
Maandag, 15 juli 2002
Sottrupskov naar Kappeln
Om 07.30 staan we op en maken het ontbijt gereed. Als we in de kuip zitten eten, komt de havenmeester langs. Het blijkt dezelfde figuur te zijn, die ons gisteravond als ober in de Kro bediende! Hier komt hij nu het havengeld afrekenen: 60 kronen, een laagte-record voor Denemarken! Keerzijde is natuurlijk, dat je behalve een ligplaats verder ook nauwelijks iets hebt: geen water, geen stroom op de steiger. Maar wij zijn er allang tevreden mee! Tegen negen uur maken we los. Een tijdelijke (Duitse) buurvrouw assisteert bij het achteruit te box uitvaren en weg zijn we in de richting van Soenderborg. We hebben het kennelijk goed uitgemikt. Even over half tien draait de brug en kunnen we erdoor. Dat geschiedt op de bij Sönderborg vanouds bekende wijze van de kudde olifanten: beide kanten mogen tegelijk opstomen door de brugopening, waarbij als enige regel geldt, dat je elkaar niet mag raken. Een Duitse schipper die met mij opvaart, vindt kennelijk dat ik te hard vaar en roept mij toe: ‘Vier Knoten!’. Ik schreeuw maar zoiets terug als: ‘Das fahre ich ja!’. Ik denk, dat ik zelfs wel ongeveer 5 knopen vaar, wat dus meer dan genoeg zou moeten zijn. Die 4 Knoten zitten die Duitse schippers blijkbaar erg hoog. Weldra zijn we weer op open water en kunnen we de koers oppakken naar Falshöft, een vuurtorentje op de hoek van Schleswig-Holstein. De wind (die O had moeten zijn) is enigszins ZO en we varen er dus pal tegenin. Als hij halverwege de rit naar Falshöft meer O wordt en we de fok bijzetten, draait hij opeens naar Z, zodat we de fok weer heel snel kunnen wegdraaien. Dan maar op de motor verder. Voorbij Falshöft kunnen we afvallen en zetten we de fok weer even bij. Maar tegen die tijd (het loopt tegen 12.00) is er zo weinig wind, dat het ding zinloos staat te klapperen. Weg maar weer met de fok! Uiteindelijk liggen we om 13.00 (na een geheel gemotoriseerde overtocht) voor de wal in Maasholm. Daar tanken we een kleine 80 liter diesel en varen dan verder naar Kappeln. Het is even zoeken naar een box, maar weldra liggen we voor de kant. Net op tijd voor een borrel en een rustige siësta.
Later op de middag monteer ik de Duitse SIM kaart en WAP naar wetteronline.de. Terwijl dat bij de Denen slechts 6 kronen per keer kostte (ongeveer 1 euro dus), blijkt dat in Duitsland neer te komen op dik 4 euro!! De rovers!! ’s Avonds eten we de in Haderslev gekochte ‘oksekoed’, die erg lekker blijkt te zijn, douchen in het havengebouw en brengen de avond in gepaste rust door al lezend in de kuip, waarbij we op de eerste rang getuige mogen zijn van een vader, die aan zijn zoontje leert skiff roeien. Grappig om te zien! Morgen naar Wendtorf.
Dinsdag, 16 juli 2002
Kappeln naar Wendtorf
Om 08.00 uur staan we op en lopen dan eerst naar de supermarkt in de nabijheid, alwaar we broodjes, ham, theeworst en andere dringende benodigdheden kopen om zo direct te kunnen ontbijten. We gaan terug naar de boot en starten het ontbijt. In de tussentijd is onze buurman inmiddels vertrokken. Hij had het plan verder de Schlei op te varen. Wij willen precies de andere kant uit. Het is stralend mooi weer en er is weinig wind. Het lijkt wel of die twee hand in hand gaan, maar we zullen er niet over klagen. Na het ontbijt gooien we de boot los. Annet viert de voorste landvast en ik trek de boot de box uit. De manoeuvre verloopt vlekkeloos, wat wel even apart vermeld mag worden, omdat dat zeker niet altijd het geval is! We varen de Schlei weer af en zijn tegen 10.30 bij de Schleimünde. Vandaar varen we nog een paar mijl door naar de uiterste ton van het Sperrgebiet Schoenhagen, waar de Duitse Marine aan het oefenen is en zetten dan de zeilen. Onmiddellijk loopt de snelheid terug van 6 knopen naar 1,5 tot maximaal 2 knopen. Maar het is wel erg rustig! Dus varen we zo maar een uurtje door. Dan heb ik er genoeg van en zet ik de motor bij. Er zijn nog 12 mijlen te varen en met een snelheid van zo’n 6 knopen zullen we dus omstreeks 14.00 bij Wendtorf aankomen. Dat blijkt allemaal perfect te kloppen. We kunnen de verkenningston van Wendtorf (een witrode boei) ruim van tevoren waarnemen, en keurig sturen we tussen de palen die de geul naar de haven markeren. Om 14.00 liggen we in een box. Nadat we het havengeld voldaan hebben, drinken we een borrel en gaan dan een verlate siësta ondernemen. Tegen 16.00 pakken we de fietsen en rijden een heel eind langs het Oostzeestrand in de richting van Fehmarn en Rügen. We menen zelfs in de verte Fehmarn al te kunnen zien liggen. Misschien moeten we een volgend jaar deze richting eens uit gaan met de boot! Het strand blijkt druk bezocht te worden en het strandleven is hier inmiddels ruim op gang gekomen. Ondanks het naar verhouding niet geweldige weer is het enthousiasme van de strandbezoekers groot. Tot laat in de avond blijven ze badderen en zandkastelen bouwen. Dit ondanks de donkere luchten en de enkele regenbui, die er valt. Wij hebben het na een aantal kilometers wel gezien en fietsen dezelfde route weer terug. ’s Avonds eten we in het havenrestaurant Ösfass een heerlijke visschotel, met zoveel verschillende vissoorten erop, dat we het niet eens op krijgen met zijn tweeën! En dat inclusief drankjes en fooi voor nog geen 50 euro! Geheel voldaan keren we terug aan boord en maken plannen voor de terugreis naar Nederland. Het weer belooft ietsje slechter te worden. Volgens de radio krijgen we met windkrachten 6 en 7 te maken, voor ons op open water teveel. Goed dus dat we morgen (na een kort bezoek aan Kiel) het NOK weer op kunnen. We zijn van plan dan bij Gieselau te gaan liggen en daar nog wat verkenningen per fiets uit te voeren. Donderdag varen we dan door naar Brunsbüttel, alwaar we diezelfde avond nog (het is laat HW dan) willen doorstomen naar Otterndorf. Daar hopen we vrijdagmorgen dan de mast te strijken, zodat we tegen 11.00 gereed zouden zijn om de reis naar Bremerhaven en Oldenburg aan te vangen. Maar dit zijn allemaal plannen ijs en weder dienende. De weersomstandigheden kunnen uitvoerig roet in het eten gooien. We zullen het dus allemaal maar afwachten.
Woensdag, 17 juli 2002
Wendtorf naar Gieselau
Om 08.00 uur staan we op, kleden ons aan en lopen vervolgens naar de havenmeester. Daar leveren we de sleutel van het toilet weer in en incasseren het pandgeld, waarna we daarvan weer broodjes en Kuchen kopen in de kleine supermarkt aan de andere kant van de dijk. Vervolgens keren we terug naar de boot en gaan ontbijten. Daarna maken we de boot gereed voor vertrek. Er staat een behoorlijke wind, dwars op de box. Er zijn dus speciale maatregelen vereist om heelhuids de box uit te komen. Ik monteer een extra lange landvast aan de bovenwindse kant, zodat Annet straks het schip net zolang in verbinding met de steiger kan houden tot ik de beide achterste landvasten heb losgemaakt. Als we op het punt van vertrek staan (het is inmiddels als 09.30) belt Joyce om even te melden hoe het Patrick en haar in Frankrijk vergaat. Fijn te horen, dat het allemaal goed gaat. Daarna vertrekken we. Annet viert de voorste landvast en ik trek de boot naar de palen, waarna ik de landvasten verwijder en achteruit sla. De wind is zo krachtig, dat het me niet lukt het achterschip naar lij te laten waaien. Het voorschip valt eerder weg. Dan vaar ik het schip dus maar achteruit de haven uit. Dat is een beetje lastig, omdat de schroef het schip steeds naar links trekt. Maar door nu en dan de schroef stil te zetten en het roer stuurboord aan boord te zetten, weet ik die neiging te corrigeren en lukt het. Als we buiten de steigers zijn, laat ik het schip verder naar bakboord draaien en vaar daarna vooruit weg.
Buiten de haven staan er koppen op de golven. De wind is NW 5 en bij Wendtorf is het lage wal. Dat is te merken. In de geul naar buiten staan forse rollers en we beginnen grote sprongen te maken. Op een klein sportvissersbootje zijn ze druk bezig in de vaargeul de hengels te stellen. Het bootje ligt stil en we koersen er recht op aan. Ik begin aan een zwaai naar bakboord als de mannen me eindelijk zien. Kennelijk maakt de stalen Andrea, buizend en wel, behoorlijk indruk, want ze zijn zo weg! Buiten de verkenningston zetten we (een gedeelte van) de fok en vallen we iets af. Het schip surft nu en dan op de rollers en bereikt op die momenten volgens de GPS snelheden tot 7,5 knopen! Ruim meer dan de theoretische topsnelheid! Bij de vaarwatertonnen aangekomen vallen we nog verder af en koersen we recht de Kieler Förde in. Weldra wordt het water rustiger, omdat we onder lij van het land beginnen te komen. Een uur later liggen we in Holtenau voor de kant. We halen de fietsen tevoorschijn en rijden naar Belvedere. In die buurt weet ik een Internetcafe, waar we even de mailbox kunnen bekijken. Het is een fors stuk fietsen, wat vooral Annet zweetdruppels kost. We moeten dan ook de Hochbrücke over het NOK over en dat ding is zo’n 40 meter hoog. Het Internetten zelf kost een half uur tijd en 1 euro aan geld. Dat valt dus allemaal erg mee. Vlakbij het Internetcafe is een broodjeszaak, waar ze op een terrasje Kaffee mit Kuchen serveren. We besluiten dat maar als maaltijd te gebruiken. Ik neem een Schnecken (een als een slakkenhuis gedraaide koek) en Annet een Mandelkuchen (dus met veel amandelen) en elk een kop koffie. Heerlijk! Daarna fietsen we weer terug naar de boot. Bij de slager kopen we nog een viertal ‘Frikadellen’, Duits gekruide gehaktballen, door de slagersvrouw zelve gemaakt, en nog warm als ze voor ons worden ingepakt! Op de boot aangekomen, bergen we de fietsen op. Op de sluis brandt een rood licht en er ligt geen enkel schip op schutting te wachten. Dat belooft wat. Dan echter hoor ik de bel rinkelen ten teken dat de sluisdeur opengaat en een aantal schepen komt van het NOK de Kieler Förde op varen. Ik besluit onmiddellijk los te gooien en voor de sluis te gaan liggen. Kan de sluiswachter in elk geval zien, dat er 1 schip belangstelling heeft om naar het NOK te sluizen. Eerlijk gezegd verwacht ik er niet veel van (de wachttijden uit het verleden kennende), maar tot mijn verrassing wordt het licht onmiddellijk wit en mogen we dus naar binnen! Ik wil het schip al helemaal naar voren varen om andere schepen ruim gelegenheid te geven aan te leggen, maar we zijn nauwelijks binnen de sluis of de deuren gaan dicht! We leggen het schip aan en ik loop naar het sluiswachterkantoor om de Kanalgebühren te betalen. De sluiswachter zegt, dat het voor ons nu dubbel tarief is, omdat we alleen gesluisd worden! Gelukkig blijkt dat een grapje: we betalen 11 euro, een schijntje dus eigenlijk. Om 13.30 varen we het NOK op en is het varen, varen, varen naar Gieselau. Dat ligt toch nog wel iets verder dan we eigenlijk dachten. We rekenden op kilometerpaal 50, maar het blijkt uiteindelijk kilometerpaal 40 te zijn. Spijtige vergissing: uurtje extra varen. Maar om 18.30 varen we het kanaal in en een kwartier later liggen we voor de wal. Na het avondeten (Frikadellen, Kartoffelsalad en snijbonen) maken we bij de sluis een korte wandeling. Onderweg komen we het Nederlandse echtpaar tegen, dat met een voormalig klein binnenvaartschip voor de wal ligt. Ze blijken via de Wadden en het laatste stuk bovenlangs via Cuxhaven te zijn binnengekomen. Ook zij hebben computernavigatie en radar aan boord, maar zijn natuurlijk wat benauwd voor al te golvend water. Op de kop is dat niet erg, maar dwars in, daar moeten ze niets van hebben. Ze zijn van plan richting Fehmarn en Rügen te gaan en dan via de Oder weer terug. Maar ze hebben kennelijk tijd zat, want morgen gaan ze naar Rendsburg, amper drie uur varen van hier. Toch wel een heel leuke manier om een varende vakantie te houden!
’s Avonds zetten we de televisie aan en horen het weerbericht, dat over een groot lagedrukgebied boven Noord Duitsland praat. In het zuiden heeft het al voor forse overstromingen gezorgd, en men vreest ook voor extra hoge waterstanden in de rivieren, zoals de Elbe, waar wij morgen eigenlijk overheen moeten! We laten ons echter niet op stang jagen en zullen morgen wel zien hoe het er feitelijk voor staat. Het weerbericht blijkt in zoverre wel te kloppen, dat het onmiddellijk na het journaal begint te regenen, wat de rest van de avond ook niet meer ophoudt! Geen stortbuien overigens, maar een gewone, zachtdruilende, eindeloze regen …
Eigenlijk waren we van plan om morgen in de omgeving van Gieselau te gaan fietsen, maar gezien de regen zullen we dat nader bekijken als het zover is. Tevens waren we van plan om morgenavond via de Elbe naar Otterndorf te varen, zodat we vrijdagmorgen naar binnen zouden kunnen sluizen. Gezien de weerberichten zullen we ook dat nader moeten bezien. Eerst maar eens kijken wat de dag van morgen brengt en dan al naar bevind van zaken verder handelen. Omstreeks 21.00 uur begint het te regenen.
Donderdag, 18 juli 2002
Gieselau naar Brunsbüttel
Onze plannen voor Gieselau (fietstochten in de omgeving maken namelijk) vallen letterlijk in het water. De regenbui, die om 21.00 begon is namelijk om 10.00 uur nog niet afgelopen. Gisteren hadden we op de tv al gezien, dat er een gigantisch lagedrukgebied boven Noord-Duitsland ligt, dat maar heel langzaam naar Zweden wegtrekt. Het ontlaadt zich kennelijk geheel boven ons hoofd. Veel regen en harde wind, alsmede jagende wolken en geen zon zijn het gevolg. We besluiten tot 13.00 af te wachten en dan naar Brunsbüttel te varen. We willen in elk geval nog op tijd zijn voor het bunkerstation, dat bij ons weten om 18.00 sluit. Het zal een dikke 3 uur varen zijn, dus lijkt 13.00 een goed tijdstip van vertrek. Ter plaatse zien we dan wel verder. Voor vrijdag wordt afzwakking van het weertype voorspeld.
Als we de televisie aanzetten, horen we dat er in Lübeck en Travemünde kelders en straten en parkeergarages zijn ondergelopen en dat in verschillende gebieden de noodtoestand is uitgeroepen. Er is in 24 uur net zoveel regen gevallen als anders in de hele maand juli: 111 liter per vierkante meter! Dat kan kloppen met onze waarnemingen, want het blijft maar regenen. Zelfs zozeer, dat wij er een hard hoofd in hebben, dat het om 13.00 (ons gepland tijdstip van vertrek) beter zal zijn. Daarom besluiten we om 11.30 maar van wal te steken. We trekken de zeilpakken aan en schoeien ons met laarzen en monteren een dekzeiltje over stuurboord om de roerganger enige bescherming te geven tegen de wind en de regen, die op het NOK van stuurboord zal inkomen. Als we op het NOK varen blijft het aan een stuk door pijpenstelen regenen. Zelfs zo hard, dat het zicht erdoor beperkt wordt tot enkele honderden meters. Om bepaalde gedeeltes laat ik Annet zelfs even de radar bijzetten, hoewel dat niet veel helpt. Het is aanzienlijk lastiger op een rivier of kanaal de radarbeelden te lezen dan op open zee. De wallenkant verstoort de zichtbaarheid van de contacten aanzienlijk. Ter hoogte van Dückerswisch zien we een heel aantal bergingsbokken in de Weichenstelle liggen. Vlak bij zien we de zijkant van een schip boven water uitsteken. Een aantal lieden loopt er over heen om aanwijzingen aan de kraanmachinisten te geven. Kennelijk is hier een behoorlijk groot schip gekapseisd! Even verderop zien we een oliereinigingsschip zijn baantjes over het NOK trekken, kennelijk om eventueel gemorste olie op te zuigen. Voor de rest is er alleen maar regen, regen, regen …Vanaf Gieselau is het een dikke drie uur varen naar Brunsbüttel en inderdaad zijn we omstreeks 15.00 ter plaatse. Zoals we al gevreesd hadden ligt de Weichenstelle achter de palen (waar we vorige keren wel gelegen hebben) al redelijk vol met schepen. We zouden naast andere schepen moeten parkeren. Daar hebben we niet zo’n zin in. Waarschijnlijk ligt echter de haven van Brunsbüttel ook vol en zullen er weinig alternatieven zijn. Toch weten we nog een mogelijkheid. De werknemers van de sluis hebben een eigen kleine jachtclub, die een aantal boxen ter beschikking heeft in het ‘Amtliche Dienstbereich van de Kanalbehörden’, een stel boxen in het water en een aanlegsteiger achter het hek en het prikkeldraad van de sluis. We hebben daar al eens een paar keer eerder (illegaal, of in elk geval niet helemaal legaal) gelegen: een keer om de mast te zetten, toen we dat in Otterndorf nog niet gedaan hadden, en een keer om te overnachten toen de haven ook overvol was (net als nu). Als we langzaam voorbij varen zien we tenminste een tweetal boxen leeg. We aarzelen niet lang, maar sturen het schip erin. Lijntjes om de palen, langzaam naar voren en in de stromende regen leggen we de boot aan. Als we vast liggen, komt een Duitser de steiger oplopen. Ik vrees al, dat we worden weggestuurd, maar kennelijk is het een van de leden van de watersportclub, die naar zijn eigen schip gaat. Hij maakt alleen maar een opmerking over het weer, die wij met ‘Scheusslich, scheusslich’ beamen. Vervolgens nemen we een dikke borrel en gaan we slapen. De tocht hierheen was toch wel behoorlijk vermoeiend! Omstreeks 18.00 stel ik voor in Brunsbüttel te gaan eten. We zien dat het hek van het ‘Gelände’ open staat, maar de ketting met het hangslot hangt waarschuwende klaar. Waarschijnlijk zal de voorzitter van de club vanavond het hek op slot doen, maar natuurlijk weten we niet wanneer dat zal zijn. Geestelijk bereiden we ons er dus op voor, dat we na de maaltijd nog even een paar meter over het hek en het prikkeldraad zullen moeten klimmen. Niet te veel bier bij het eten dus!
Van een vorig jaar weten we nog welke pizzeria in Brunsbüttel de beste is, en die vereren we nu dus ook met een bezoek. Annet bestelt een spinaziepizza, en ik een pannetje met drie steaks en gebakken aardappelen. Het geheel als vanouds overgoten met bier: Dithmarscher Pils dit keer. Het smaakt allemaal voortreffelijk. Even na 19.30 lopen we weer terug naar de haven. Vol verwachting slaan we de hoek om naar het toegangshek. Even denk ik, dat de voorzitter al langs geweest is met de verenigingssleutel, maar nee hoor, het hek is nog open. We lopen snel naar binnen en zoeken nog even naar een mogelijkheid om stroom van de wal te krijgen. Dat blijkt helemaal niet moeilijk te zijn, zodat we weldra onder het genot van 220V verlichting bij de warme kachel zitten. Op het journaal horen en zien we de berichten over de wateroverlast in Noord-Duitsland en vernemen we de voorspellingen over de Duitse Bocht: windstoten tot 9 Beaufort. Annet schrikt daar geweldig van en praat al over het weekend blijven liggen. Ik maak via de mobiel een Internetcontact met wetteronline.de en krijg daar de gegevens voor Elbe en Weser te pakken. Dat ziet er aanzienlijk beter uit: NW 4-5 en NW 3-4 … We zullen dus morgen toch maar een poging gaan wagen om Otterndorf te bereiken. Mocht het te wild zijn op de Elbe kunnen we altijd nog rechtsomkeert maken of (als we al te ver zouden zijn) doorvaren naar Cuxhaven.
Geen zorgen voor de dag van morgen!
Vrijdag, 19 juli 2002
Brunsbüttel
’s Morgens sta ik al heel vroeg op. Ik wil namelijk eerst de Elbe even gaan bekijken voor we de tocht naar Otterndorf ondernemen. Het miezert en de lucht is grijs. Het waait echter niet al te hard. Als ik de fiets te voorschijn haal, wordt Annet wakker en wil ook mee. Terwijl we bezig zijn ons voor de fietstocht naar de Elbe klaar te maken, worden we aangesproken door een man aan de overkant van het water. Een Jezus-figuur is het echter zeker niet! Op nogal onbeschofte toon wordt ons uitgelegd, dat wij daar helemaal niet mogen liggen en dat we onmiddellijk moeten vertrekken. Als ik zeg dat we met 1, 2 Stunden weg zullen zijn, is de reactie: ‘Nix ein, zwei Stunden, Sie sollen sofort da weggehen!’ Ik zeg alleen nog maar ‘Jawohl’ en denk bij mijzelf heel iets anders. We pakken de fietsen en rijden naar de Elbe. Daar ziet het er somber uit. Niet al te veel wind, maar wel veel golvend water en weinig zicht. Ik kan net een rode en groene boei zien, en verder is alles in nevelen gehuld. Dat spreekt me niet echt aan. Terug bij de boot ontbijten we en maken we ons gereed voor vertrek. Als we achteruit de haven uitvaren, besluit ik eerst nog maar even bij de dieselboer langs te gaan. Voorlopig zie ik namelijk geen enkel jacht bij de sluis om naar buiten te gaan en dat lijkt mij wat verdacht. De bunkeraar begint om 08.00 uur en om 08.15 zijn wij opgetopt. Als we betaald hebben zien we de sluis net dichtgaan achter twee jachten, die naar buiten willen. Dan nemen we (het achteraf foute!) besluit om liever maar een dag in Brunsbuttel te blijven liggen en te wachten tot het weer wat beter wordt. We varen naar de Ausweich-Liegestelle en maken de boot daar vast. De havenmeester komt langs en slaat ons aan voor het liggeld voor vandaag. Hij blijkt ook al te weten, dat wij op een niet toegestane plek gelegen hebben. Nu ja … het zal wel. We gaan eerst maar eens de verloren slaap weer inhalen. Daarna rijden we per fiets naar het dorpje. ’s Middags maken we een wat langere fietstocht in de omgeving van Brunsbuttel en blijkt het dorpje veel groter te zijn, dan we oorspronkelijk gedacht hadden. ’s Avonds rijden we weer naar de pizzeria, waar we gisteren ook al zo voortreffelijk hadden gegeten en schuiven daar weer aan tafel. Ook deze keer is het uitstekend. Op onze tochten door Brunsbuttel hebben we gezien, dat er zelfs nog een Internetcafe in het dorpje is. Daar rijden we na de avondmaaltijd heen. Het blijkt een geheel leeg cafe te zijn met een enkele computer, die apart inbelt op Internet. Niettemin werkt het en kijken we op de site van wetteronline.de. De berichten voor morgen en overmorgen zijn prima. Windkrachten tussen de 2 en de 3, niets om je druk over te maken. Als ik echter ga kijken, wat er voor maandag op het programma staat en dan met name voor OostFriesland (waar we immers op die dag de Eems over zullen moeten!), slaat ons de schrik om het hart: NW tot W 6-7!! Dat is balen. Dat betekent waarschijnlijk, dat we de Eems niet over zullen kunnen. Voorlopig besluiten we in dat geval in Herbrum te blijven liggen. Dan gaan we daar wel wat fietstochten in de omgeving maken. Het ziet er naar uit, dat Edward zijn zeildagen met ons zal moeten vergeten of tot nader order uitstellen. Het weer lijkt roet in het eten te gooien. Maar we zullen zien.
’s Avonds maken we hernieuwd kennis met de opvarenden van een WIBO, die we in Holtenau al hadden zien liggen. Hij had de opvallende naam ‘Oui Beau’ en blijkt nu afkomstig uit Makkum. De eigenaars varen er al jaren op. Voor morgen zijn ze van plan naar Helgoland te gaan. Ik geef ze de weerberichten voor de Duitse Bocht voor morgen, overmorgen en maandag. Daarin staat voor maandag NW 6/7 gepland, en dat doet ze van plannen veranderen. Ze besluiten om direct (desnoods op de motor) boven de eilanden langs te gaan en dan in Terschelling nog een paar dagen door te brengen. Ze praten over 35 uur motorren, waarbij man en vrouw 3 uur op en 3 uur af lopen. Lijkt ons een behoorlijk inspannende klus, maar volgens hen valt het best mee. Ik stel nog even voor aan Annet om al motorrend met hen mee te varen, maar zij voelt daar absoluut niets voor. Ik eigenlijk ook niet, ik heb wel kaarten van het zeegebied, maar alleen in papieren en niet in elektronische vorm. Later dus maar een keer.
Al wandelend komen Annet en ik op het lumineuze idee, dat we maandag niet op de Eems tegen NW 6/7 in te gaan stampen, maar dat we gebruik maken van het Haren-Rütenbrockkanal, dat aansluiting geeft op de Groningse kanalen, waarbij we uiteindelijk (zij het na twee dagen varen) in Groningen zelf terecht kunnen komen. Aldus besluiten we.
Zaterdag, 20 juli 2002
Van Brunsbüttel naar Otterndorf
’s Morgens staan we om 07.00 uur op, en ontbijten ‘on the fly’. Ik maak de buurman wakker, die gisteravond naast ons heeft aangelegd, en hij komt (zij het niet echt enthousiast) te voorschijn. Hij vraagt zijn vrouw koffie te zetten en maakt dan de landvasten los om zijn tocht richting Kiel te beginnen. Hij denkt aan Rendsburg als stop. Als hij heeft losgegooid, maak ik onze landvasten los en stoom op naar het clubje schepen, dat al een kleine 20 minuten voor de sluis aan het heen en weer varen is. Ik veronderstel, dat het allemaal kandidaten voor Otterndorf zullen zijn, maar dat blijkt bij het uitvaren van de sluis een vergissing. De meute gaat onmiddellijk bakboord uit, richting Hamburg. Dat was inderdaad de enige andere optie: de laatste twee uur van de vloed gebruikten ze om naar Hamburg te komen. De vaarders naar Cuxhaven wachten nog twee uur en gaan dan met de eb voor de stroom naar hun bestemming. Wij stompen tegen het restant van de vloed in en behouden een vaart van 3, amper 4 knopen. Het weer is echter rustig en het water vlak. We volgen eerst de rode tonnen, en als we vlak bij Otterndorf zijn, de groene. Het is redelijk druk op de Elbe. Het ene na het andere containerschip komt voorbij stomen. Wij kunnen de golven gemakkelijk ontwijken door nog iets verder stuurboord uit te gaan. Ter hoogte van de ton Otterndorf stuur ik naar het baken in de Medem. Dicht langs de prikken stuur ik vervolgens naar binnen. Er liggen al een heel stel schepen op de komende sluizing te wachten. We vinden een lege box en beginnen met de voorbereidingen voor het strijken van de mast. Na een uur hebben we dat karwei plat en is het wachten op de opening van de sluis. Dat duurt nogal even. Kennelijk zijn er een hoop nieuwelingen op de route via Otterndorf – Bremerhaven – Kuestenkanal, want we worden een aantal keren aangesproken door mensen, die nadere inlichtingen willen over allerlei zaken: hoe je de mast kunt strijken, op welke momenten er gesluisd wordt, wat de afstanden zijn naar de verschillende plaatsen, welke getijden je dan het beste kunt hebben, enzovoorts. Zo spreken we ook iemand, die met een Compromis 777 uit Delfzijl afkomstig is, maar die in Wildervank blijkt te wonen! Hij is afgeschrikt door het slechte weer, dat voorspeld werd, en gaat daarom voor het eerst binnendoor. We adviseren hem zo goed mogelijk. Pas tegen 13.00 mogen we de sluis in. Helaas zijn we bij het uitvaren nummer 6 in de rij en moeten we dus een heel aantal schepen passeren voor we vooraan zitten en net zo hard kunnen varen als we willen. Niettemin zien we wel aankomen, dat we Bremerhaven niet op tijd (namelijk voor 18.30) zullen halen. Dat blijkt ook te kloppen. Er staat nogal wat stroom op de Geeste. Op een bepaald moment constateer ik zelfs 1,5 knoop stroom extra! Dat is wel een beetje veel. Kennelijk staat de keersluis van de Geeste open om het overtollige water te laten afvloeien. Het aanlegen bij de keersluis wordt daar behoorlijk veel onaantrekkelijker van. De aanlegplaatsen zijn in het water, je kunt niet de wal op, en bovendien bevinden ze zich vlak bij de keersluis, waar de stroomsterkte van het water dus het grootst is. Derhalve besluiten we niet tot de keersluis van de Geeste door te varen, maar te overnachten bij de (oude monumentale) keersluis van Schiffdorf. Na enig halen en brengen lukt dat. Er blijkt ter plaatse bovendien een Gasthof te zijn, waar bier en voedsel te verkrijgen is. Weldra zitten Annet en ik dus achter grote glazen bier en genieten we van een ‘Schollfilet mit Zwiebeln und Speck und Bratkartoffeln’. Het smaakt heerlijk en het is vriendelijk geprijsd! Voor herhaling vatbaar.
’s Avonds belt Joyce om te melden hoe Patrick en zij het maken en daarna SMS ik naar Edward wat onze plannen zijn (vooral over het Haren-Rütenbrockkanal) en dat hij zich niet verplicht hoeft te voelen om een paar dagen met ons mee te gaan.
We zitten om 22.00 nog samen in de kuip. Een heerlijk rustige zomeravond. Geen echt hoge temperatuur, maar wel een blauwe hemel, prachtige ondergaande zon en een schitterend natuurgebied.
Zondag, 21 juli 2002
Bremerhaven naar Oldenburg
We staan zondagmorgen onwijs vroeg op: half zeven! Dat valt niet mee, want we hebben in Schiffdorf uitstekend geslapen. Doodstil was het. Maar we moeten om zeven uur bij de sluis van de Geeste zijn om te kunnen doorsluizen naar de Weser. En we willen voor 12.00 vanmiddag in Oldenburg zijn, omdat we dan nog net naar het Kuestenkanal zouden kunnen sluizen. Om 12.00 uur gaat de sluis dicht namelijk. Door alle voorbereidingen wordt het toch nog 10 voor zeven voor we eindelijk varen en de sluis van de Geeste blijkt toch nog iets verder van Schiffdorf te liggen dan ik had gedacht. Ik vrees dan ook het ergste. Vooral als we zien, dat er voor de sluis al vier schepen liggen te wachten. Die zijn ons na 22.00 kennelijk allemaal voorbijgevaren en hebben de nacht aan de palen voor de sluis doorgebracht. En nu gaan ze natuurlijk voor bij de sluizing. Nu ja … wij hebben Bratkartoffeln met Speck und Zwiebeln gegeten en zij vast niet! Ik neem me al voor mijn ziel in lijdzaamheid te bezitten als ik zie, dat de sluiswachter helemaal niet gaat sluizen, maar beide deuren tegelijk openzet. Het is net gelijk water! De hele rits kan dus in een keer doorvaren en wij sluiten achter aan in de rij. Vervolgens varen de Duitsers met een slakkengang door de Geeste: 3 knopen of minder! Ik zit me een beetje op te vreten van ergernis, want ik wil voor 12.00 in Oldenburg zijn. Toch ben ik te beleefd om er brutaal weg voorbij te stomen. Die beleefdheid zal me nog duur te staan komen! Eindelijk zijn we om 07.50 tussen de havenhoofden van Bremerhaven en kan ik vol gas geven. Weldra zijn alle Duitsers gepasseerd en hebben we de vloed mee op de Weser. We weten tot aan Elsfleth 8 knopen gemiddeld te varen, bijna 2 knopen stroom mee dus. Dat is prima. Toch duurt het tot dik 10.00 uur voor we eindelijk bij Elsfleth zijn. Daarna varen we de Untere Hunte op. De snelheid valt terug tot 7 knopen en hoewel we hier en daar nog even uitschieters naar 8 en een keer zelfs naar 9 knopen halen, is het gemiddelde toch zo laag, dat we pas om 10 voor twaalf voor de Eisenbahnbrucke liggen. De brugwachter ziet mij vol gas komen aan stomen en (wonder, o wonder) laat de brug voor me open staan. Op de Brueckenpegel had ik al gezien, dat het erom zou hangen of we er onder door zouden kunnen. En dat terwijl het nog zo’n twee uur voor hoog water Oldenburg was! Dat ging dus goed. Vervolgens roep ik de sluiswachter van Oldenburg op en vraag of hij me nog wil sluizen. Dat wil hij wel, als ik er voor 12 uur ben. En, waarschuwt hij, De Cäcilienbrücke sluit ook om 12.00 uur. Ik zeg, dat ik denk net laag genoeg te zijn om eronder door te kunnen. En dat had ik waarschijnlijk beter niet kunnen zeggen, want als we er (2 voor 12) zijn, blijkt de brugwachter al naar huis (vroege Feierabend blijkbaar) en zijn wij net een paar centimeter te hoog om verder te kunnen. Dat is behoorlijk balen! We maken rechtsomkeert en gaan in arren moede in de haven van Oldenburg liggen. We nemen maar een stevige borrel om de teleurstelling te verwerken en gaan daarna siësteren. Vervolgens fietsen we wat door Oldenburg, bezoeken kort een Internetcafe (waar we zien, dat de windverwachting voor de Eems nog steeds W tot NW 5/6 is) en eten daarna aan boord. ’s Avonds zitten we weer bij een blauwe hemel in de kuip en gaan vroeg naar bed. We willen morgen eerst om 06.30 broodjes halen bij een bakker die (naar we hebben gezien op onze fietstocht) dan al open is en willen om 07.00 uur voor de sluis liggen. We gaan dan eerst naar Dörpen en vervolgens bakboord uit naar Haren om de tocht via het Haren-Rütenbrockkanal aan te vangen. We zullen zien hoe laat we daar zijn.
Maandag, 22 juli 2002
Oldenburg naar Haren-Ems
Om 06.30 worden we wakker. Uiteraard niet vanzelf, want het tijdstip is wel enigszins onchristelijk. Maar we willen nog broodjes halen bij de bakker en toch omstreeks 07.00 uur voor de sluis liggen. De ‘Wildervanker’ (die met zijn boot ook in Oldenburg was gestrand) is dan kennelijk al naar de sluis gevaren. Dat had hij waarschijnlijk beter niet kunnen doen, omdat er toch eerst beroepsvaart doorgesluisd wordt en de pleziervaart pas later aan bod komt. Als wij om 07.00 uur de ruimte voor de sluis binnenvaren, blijken ze dan ook nog aan een binnenvaartschip gemeerd te liggen. Ik roep de sluiswachter op via de marifoon en vraag, wanneer we naar binnen mogen. Dat blijkt bij de volgende sluizing het geval te zijn. Nog even wachten dus. Om kwart voor 8 gaan we naar binnen en een half uur later start de reis over het Küstenkanal. Onderweg halen we (op zo’n 20 kilometer voor Dörpen) een Groningse binnenvaarder in, die ons echter een uur later weer voorgaat in de sluis. Tijdens de wachtperiode voor Dorpen ontmoeten we een nogal vrijgevochten stel met een klein kajuitjachtje van hout, gestreken mast en volgepakt met van alles en nog wat, zoals twee kano’s en een fiets, alsmede een vervaarlijk blaffende hond. Overigens zijn ze erg aardig en ze vertellen, dat ze in Denemarken zijn geweest en nu onderweg naar Nederland. Ze zijn van plan via de Eems naar Groningen te gaan. Ik raad ze aan hetzelfde te doen als wij van plan zijn: de tocht te maken via het Haren-Rütenbrockkanal. Dat lijkt ze een goed idee. Vooral nu de windverwachting voor de Eems een beetje te veel van het goede is. Buiten de sluis vraag ik per marifoon aan de Groningse binnenvaartschipper naar de windverwachting op de Eems voor Emden. Hij meldt het niet zeker te weten, maar meent iets van NW 7, afnemend 6 gehoord te hebben. Dat doet voor ons de deur dicht. Na het Küstenkanal varen we derhalve omstreeks 17.00 uur linksaf de Eems op in de richting van het Dortmund-Emskanal. Twee sluizen moeten we weldra passeren: de Düthe-sluis en de Hilter-(geen tikfout!)sluis, die respectievelijk op marifoonkanaal 79 en 81 zitten. Bij een verkeerde manoeuvre voor de eerste sluis beschadig ik de radarreflector aan de mast. Balen! Later maar weer recht buigen!
Het is even onduidelijk op welke afstand de ingang van het Haren-Rütenbrockkanal zich eigenlijk bevindt. We hebben helaas geen kaarten van het huidige vaargebied. Slordig natuurlijk, maar ik had er even niet op gerekend, dat we hier langs zouden gaan. Ik vraag het aan de sluiswachter van de Hiltersluis en aan een voor mij varende Nederlandse beroepsvaarder en krijg twee keer niet echt duidelijke antwoorden. Uiteindelijk blijkt de sluis zich te bevinden bij kilometerraai 178, kenbaar aan een klein wit bordje op de sluismuur, waaraan we bijna waren voorbijgevaren. We leggen aan bij een drijvende steiger voor de sluis.
Volgens de gegevens op het bord bij de sluis wordt er op maandag t/m vrijdag vanaf 08.00 uur gesluisd, zodat we morgen om 07.30 zullen proberen op te staan.
’s Avonds pakken we de fietsen en bekijken Haren-Ems. Het blijkt een heel aardig plaatsje te zijn, vooral gefocussed op vakantiegangers. Overal bars en eethuisjes, alsmede terrasjes en een uitgebreid winkelcentrum annex voetgangersgebied. Kennelijk ook nogal wat campings en vakantiehuisjes in de omgeving. We fietsen even langs de jachthaven van Haren-Ems, een beetje weidse naam voor een zeer beperkt aantal boxen, dat stampvol met bootjes ligt. We kunnen zo wel zien, dat we daar nooit bij hadden gekund, vandaar dat onze ligplaats aan de drijvende steiger voor de sluis perfect is.
Als we terugkomen bij het schip, repareer ik de gehavende radarreflector, zodat hij er weer enigszins toonbaar uitziet en aan zijn doel kan beantwoorden. Verder boenen Annet en ik samen de stootwillen schoon, die in de laatste paar sluizen behoorlijk smerig zijn geworden, vanwege de intens vieze sluismuren. Tevens treffen we aan de overkant de boot van het stel uit Dörpen aan. Ze hebben het kennelijk ook gevonden!
We overleggen nog even over de gang van zaken voor morgen, maar ik weet er net zoveel van als zij en we zullen het dus wel zien.
Bij een Internetcontact met het KNMI blijkt dat er voor het weekend wat gunstiger weer wordt verwacht, wat ons uitstekend uitkomt, omdat we dan de laatste etappes naar Monnickendam denken af te leggen.
Morgen via de Duitse en Nederlandse veenkanalen naar Groningen!
Als we bijna slapen, horen we gerommel op de steiger en gemompel van stemmen. Ik kijk uit het raampje en zie een stel opgeschoten Duitse jongeren rondom een lamp op de steiger staan kletsen en giebelen. Ik ruk het luik open en vraag, wat ze daar in vredesnaam aan het doen zijn. Het antwoord is even simpel als verbluffend: ‘Angeln!’. Ik vrees, dat ik me nogal boos maak en me dus niet echt diplomatiek uitdruk over hun bezigheden: de ‘Steg ist zum Anlegen und nicht zum Angeln da, wir wollen schlafen, wir moechten Ruhe und kein Laerm, und deshalb verschwinden Sie!’ Nou ja, zo heet wordt de soep nou ook weer niet gegeten … De jongens beloven, dat ze heel rustig zullen doen en ik moet het maar zeggen, als ze zich daar niet aan houden. Ik ga akkoord en hoor de knapen inderdaad de rest van de nacht niet meer. Toch blijkt de volgende morgen, dat sommige lieden het gevoel hadden dat ze enige wraak moesten nemen.
Dinsdag, 23 juli 2002
Haren-Ems naar Stadskanaal
We staan om half acht op, ontbijten en maken de boot gereed voor vertrek. Precies om acht uur zie ik iemand op de sluis verschijnen, die ons vraagt of wij sluizen willen en ons daarna verzoekt de sluis in te varen. We maken de landvasten los en dan blijkt van de achterste landvast een van de drie tieren te zijn doorgesneden. Ik herinner met het gebeuren van gisternacht en vrees dat enkele vissertjes zich niet hebben kunnen bedwingen. Nu ja … landvast vervangen en verder niet meer zeuren. Onze gegevens worden door de sluiswachter opgenomen. Vervolgens gaat hij met ons mee om de eerstvolgende bruggen voor ons te openen. Bij de derde brug wenst hij ons goede reis. Kennelijk zijn wij voor volgende kunstwerken aan de zorgen van anderen overgelaten. Dat blijkt te kloppen. Als we (het Duitse stel en wij) in de volgende sluis liggen, komt er helemaal niemand opdagen. Ik spring op de wal en loop rond het sluiswachterhuis. Niemand. Ik loop terug om dat aan de anderen te melden en maak een nieuwe zoekslag. Plotseling staat de sluiswachter achter zijn paneel, zonder dat ik enig idee heb waar hij zo gauw vandaan is gekomen. De sluisdeuren gaan open en de man verdwijnt weer zonder een woord te zeggen. Verder maar weer. Volgende bruggen en sluizen worden bediend door Duitse dames, die zich op de fiets of per bromfiets verplaatsen. Dat gaat allemaal redelijk vlot en netjes. Uiteindelijk komen we bij de laatste sluis van het Haren-Rütenbrockkanal en melden we ons bij de benzinepomp om tegen betaling van 0,50 euro de Nederlandse brug- annex sluiswachter te laten oppiepen. Dat mag even duren. Pas na een kleine twintig minuten verschijnt betrokkene en loodst ons door de eerstvolgende bruggen en sluizen. Bij de sluis moeten we opgeven hoe ver we wensen te reizen in de voor ons liggende kanalen. Dan wordt dat aan de collega’s doorgegeven en kunnen we op voortdurende begeleiding rekenen. Wel moeten we bedenken, dat tussen 12.00 en 13.00 de lunchpauze wordt gehouden. Het blijkt allemaal in grote lijnen wel te kloppen. Alleen moeten we zo nu en dan wel even van de mobiele telefoon gebruik maken om bij het hoofdkwartier (op de Eurobrug in Stadskanaal) te informeren waar de brugwachter blijft, die brug X of Y moet opendraaien. Het hoofdkwartier jaagt ons daarbij nog even de stuipen op het lijf door te beginnen over een stremming bij een brug, die niet meer open zou willen. Of we niet liever in Musselkanaal in de jachthaven zouden willen blijven liggen? Pas als ik gezegd heb, dat ik net zo lief terug ga naar Haren-Ems, blijkt dat we opeens toch gewoon door kunnen varen. Bovendien blijkt ons tegen 16.00 een neiging bij het sluis- en brugwachterpersoneel om de vaarders aan te sporen een ligplaats op te zoeken, omdat die een eindje verderop niet meer aanwezig zouden zijn. Kennelijk om zichzelf wat eerder rust te bezorgen dan pas tegen 17.00 uur! Wij wensen echter keihard door te varen, maar lopen tegen 16.30 uiteindelijk toch vast in de bureaucratie. Er zijn gewoon geen sluiswachters meer om de 2e Verlaat te bedienen, zodat ons niets anders rest dan de boten (de Duitsers varen nog steeds met ons mee) maar in de sluiskolk voor de nacht neer te leggen. Om half negen morgenochtend zijn we de eerste, zo wordt ons vrolijk meegedeeld.
We bellen Riekje (Annets zus) om te zeggen waar we zijn en worden dan per auto opgehaald, zodat we Annets moeder een verrassingsbezoekje kunnen brengen. We gebruiken gezamenlijk de avondmaaltijd en worden dan door Riekje weer bij de boot teruggebracht. Tevens maken we van de gelegenheid misbruik om vier cans bij een pomp met diesel te vullen. Is onze voorraad weer een beetje bijgespijkerd.
Tijdens ons bezoek in Wildervank was het al uitgebreid begonnen te regenen. Dat zet zich na terugkeer bij de boot alleen maar voort. We sluiten derhalve de kajuit en maken ons gereed voor de nacht. Morgen verder …
Woensdag, 24 juli 2002
Stadskanaal naar Stroobos
Om half acht zijn we wakker en begin ik me aan te kleden. Annet zet het ontbijt gereed en ik maak de kuipbanken alvast droog. Het heeft vannacht nogal hard geregend. Omdat hij had gezegd, dat hij pas om half negen weer aanwezig zou zijn, zijn we wat verbaasd de sluismeester met zijn auto al om kwart over acht bij de sluis te zien verschijnen. Kennelijk echter heeft hij er zin in! Hij begint met te vragen of wij niet wisten, dat het verboden is in de sluis aan te leggen? Ik geef onmiddellijk toe, dat ik dat uiteraard wel wist, maar dat ik geen betere ligplek kon bedenken dan precies daar. Hij erkent dat hij er zelf een beetje schuld aan is, omdat we min of meer plompverloren in het vak werden achtergelaten. Als de sluiswachters ons nog doorgesluisd hadden, hadden we in het volgende rak voldoende officiële ligplaatsen kunnen vinden. Maar de sluismeester doet er verder niet moeilijk over. Aan een collega (die inmiddels ook verscheen) vraagt hij ons tot de Gasselternijveense brug te begeleiden. Zelf moet hij met een stel scheepjes naar de Pekela’s. Weldra steken we van wal. En het gaat heel vlug. Zo omstreeks 11.00 uur zijn we al bij Bareveld. Van daar af gaat het zelfs nog harder. De Veendamse ploeg werkt met een aantal mannen tegelijk. Terwijl de eerste de volgende brug afdraait, rijdt de volgende alweer op zijn fiets of brommer naar de daaropvolgende brug, zodat de doorvoersnelheid aanzienlijk verhoogd wordt. Ter hoogte van Wildervank maakt Annet allerlei video opnames van locaties, die ze zich uit haar jeugd herinnert. Ik worstel intussen met het besturen van de boot, wat niet eenvoudig is soms, omdat nu en dan de hele karavaan stilligt, omdat een brug niet snel genoeg open gaat. Met de wind dwars over het vaarwater is het soms een hele toer om het schip goed op koers te houden. Bij Annets huis aangekomen staat moeder al voor het raam te zwaaien. We zwaaien een hele tijd terug. Wel een aparte ervaring om zo door een diep te varen, waar we zoveel jaren naast gewoond hebben. Zien we eindelijk de wereld van toen, zoals hij er vanaf het water uitgezien moet hebben. De laatste sluis in Veendam is maar net groot genoeg om alle scheepjes in een keer te kunnen bevatten. Daarna is het nog een klus om de scheepjes heelhuids door de geopende spoorbrug te krijgen. Maar uiteindelijk lukt ook dat. Dan nog het A.G. Wildervanck kanaal met alleen de Meedense brug. En daar loopt het vast. Het is inmiddels namelijk 12.00 uur geworden en (zoals van gisteren nog bekend) dan vangt de middagspauze voor al het brug- en sluispersoneel aan, tot 13.00 uur. Misschien dat die pauzes voor het bedienend personeel heel aangenaam zijn (hoewel ik mij dat niet eens zo goed kan voorstellen); ik weet heel zeker, dat het voor de varende watersporter uiterst irritant is! Vooral voor degenen, die de route alleen in transit afleggen, dus omdat ze ergens anders heen willen. Zelfs in Duitsland (waar ze toch ook heel wat afweten van Mittagsruhe en Feierabend!) ben ik een dergelijke idiote pauze-regeling niet tegengekomen. Alleen in Groningen werken ze daarmee. Heel frustrerend. We leggen de boot tegen het remmingswerk vlak voor de brug, omdat we aan de kant wegens te geringe waterdiepte niet kunnen liggen, en wachten gezapig de tijd af. Het eten van een stel volgens Deens recept gemaakte poelserbroodjes is in ongeveer tien minuten geregeld en daarna is het weer wachten. Eindelijk wordt het 13.00 uur en gaat de brug open.
Vol gas varen we naar het Winschoterdiep, draaien aldaar aangekomen bakboord uit en beginnen aan de hordeloop van het nemen van de verschillende bruggen in dat vaarwater. Dat zijn er nogal wat. Vrijwel allemaal zijn ze in gesloten stand 60 centimeter hoog, zodat ze ook allemaal open moeten. De meeste zijn via de marifoon aan te roepen. Ze worden bediend vanaf de centrale post ‘Hoogezand’ en (de stadse bruggen) vanaf de post ‘Euvelgunnebrug’. De post ‘Hoogezand’ heeft echter de tic, dat hij wacht tot er minstens twee boten voor de brug liggen, voor hij hem open doet. Een aantal keren komt het dus voor, dat ik minutenlang voor een brug lig te deinen in mijn eigen hekgolven, voordat eindelijk de brug geopend wordt. En dat allemaal omdat ‘Hoogezand’ op de horizon een ander bootje ontdekte, dat hij eerst naderbij wilde laten komen. Tenslotte maak ik daar per marifoon een opmerking over. De reactie die ik dan terugkrijg is voor mij gelukkig volstrekt onverstaanbaar, maar kennelijk was ‘Hoogezand’ niet blij met de kritische opmerking.
De Oostersluis maakt het echter allemaal weer goed. Als ik net onder de Euvelgunner brug door ben zie ik de brug van de sluis opengaan. Het is voor mij vast nog wel een kleine vijf minuten varen naar de sluis, maar ik meld mij toch maar per marifoon. Reactie: we laten de brug wel voor u open staan, vaart u maar naar binnen. Op volle kracht stomen we (na 5 minuten, arme voetgangers!) de sluis in en worden in tien minuten naar de andere kant gesluisd.
Zoals inmiddels bijna gebruikelijk leggen we aan op de schippersaanlegplaats, nadat we eerst bij de bunkerboot diesel getankt hebben. Uit de berekeningen blijkt, dat het langzame varen in Stadskanaal en Veendam (maximale snelheden van 4,5 tot uiterlijk 5 knopen) nog minder dan 1 liter diesel per uur heeft gekost! Loont het misschien toch wel de moeite om eens wat minder hard te willen varen! Die laatste knoop extra kost in voorkomend geval misschien wel meer dan 1 liter diesel per uur extra!
We doen wat boodschappen bij een lokale supermarkt en kijken tevergeefs of de ‘Eterie’ open is. Dat laatste blijkt niet het geval: ze hebben zomervakantie tot half augustus! Vervolgens varen we weer verder in de richting van Friesland. Annet kookt onderweg en om beurten eten en sturen we, totdat we tegen 20.00 uur in Stroobos aankomen. Daar gaan we in de campingjachthaven liggen. We maken nog een korte wandeling in de directe omgeving en gaan omstreeks 22.00 naar bed. Ik schrijf dit verhaal nog in en de rest van de avond brengen we lezend in bed door, chips etend en sherry drinkend. Morgen naar Uitwellingerga en de mast zetten!
Donderdag, 25 juli 2002
Stroobos naar Uitwellingerga.
De campinghaven komt niet in aanmerking om er nog eens te gaan liggen. Op verschillende momenten tijdens de avond en de nacht werden we opgeschrikt doordat het schip (toch echt stevig voor de kant liggend) plotselinge rukbewegingen begon te maken, terwijl de landvasten luid kraakten. Buiten rondkijkend kon ik niets ontdekken van enig bootje, dat mogelijk veel golven makend voorbij was gekomen. Totdat we reconstrueerden, dat het moest liggen aan de zuiging van grote binnenvaartschepen die op het kanaal een eindje verderop passeerden. De zuiging veroorzaakt het wegvloeien en weer terugkomen van een grote hoeveelheid water, wat kennelijk de plotselinge beweging van de aangemeerde schepen ten gevolge heeft. Niet echt bevorderlijk voor een goede nachtrust. Op de zwarte lijst dus deze haven!
De volgende morgen stonden we omstreeks 08.00 uur op en waren we tegen 08.30 onderweg. Volgens de berekeningen zouden we omstreeks 12.30 in Uitwellingerga aan moeten komen. Dat blijkt ook te kloppen. Er vinden onderweg geen schokkende gebeurtenissen plaats, behalve dat we ons weer doodergeren aan de brugwachter van Schuilenborch, die ons dik tien minuten voor de brug laat rondhangen, omdat er bij Kootstertille een klein bootje te zien is, dat hij ook nog in dezelfde opening mee wil laten komen! Dit keer weet ik me (op aansporen van Annet) echter in te houden en doe er verder het zwijgen toe. Tevens valt op, dat het ter hoogte van Grou weer onwijs druk is op het water, als vanouds. Het Sneekermeer is daarentegen veel rustiger dan andere jaren. Misschien is het nog een beetje vroeg in het seizoen. Bovendien is het weer niet onverdeeld gunstig, hoewel bij vlagen de zon schijnt.
Aangekomen in Uitwellingerga ligt er weliswaar een groot motorjacht aan de aanlegsteiger, maar is er nog ruimte genoeg voor ons om het schip neer te leggen. Tevens houden we dan nog voldoende ruimte over om de mast achter het schip te laten uitsteken. We beginnen onmiddellijk met de voorbereidingen voor het zetten van de mast. Alle banden en bandjes worden losgemaakt, zodat de vallen en stagen weer vrij kunnen bewegen. Tevens maken we de takel weer vast aan de onderkant van de bok. We hadden de takel dit keer helemaal losgemaakt en apart in een grote tas bewaard. Dat stond wat netter aan boord, vond Annet. Nu blijkt, dat dit niet zo’n goed idee is: bij het weer monteren van de takel zijn de blokken zodanig gedraaid, dat de lijnen elkaar allemaal kruisen. Als de bok overeind staat moeten we dus de onderste blokken losmaken en de draden weer in goede orde terugbrengen. Dat kost een hoop extra inspanning. We nemen ons voor de takel voortaan weer te laten zitten en alleen de losse einden op te bergen in de tas.
Na anderhalf uur werken (en soms flink zweten) staat de mast weer overeind, is de giek weer gemonteerd en is de buiskap weer in zijn oude staat teruggebracht. Andrea is weer een zeilboot. Na een borrel siësteren we even en maken daarna een korte wandeling door het dorp. ’s Avonds eten we in het lokale café annex cafetaria patat met kroket en/of frikadel en we hebben weer het gevoel terug in Nederland te zijn.
De avond brengen we lezend en pratend door, waarbij we ons om 20.00 uur weer door het journaal laten bijpraten over de meest recente gebeurtenissen in het vaderland. Het duurt altijd een paar dagen voor je weer helemaal op de hoogte bent!
Morgen (volgens de huidige plannen) naar Urk en dan zaterdag weer naar Monnickendam!
Vrijdag, 26 juli 2002
Uitwellingerga naar Enkhuizen
We staan om 08.00 uur op, ontbijten en maken de boot gereed voor vertrek. Om half negen gooien we los en varen het Prinses Margrietkanaal op. Voor de brug van Uitwellingerga moeten we (zoals we al voorzien hadden) geruime tijd wachten. Van de andere kant komt een visserboot aan, die samen met ons in dezelfde brugopening mag passeren. Daarna varen we verder naar de Jeltesloot. Bij de voorspelde westenwind denken we beter naar Enkhuizen te kunnen varen, ook al lopen we het risico van wachttijden bij de sluizen van Staveren en Enkhuizen. Vervolgens het Heeger meer en de Fluessen. Daarna de brug van Hooidammen en de Morra en tenslotte de brug van Warns. Bij Staveren ligt al een aardig rijtje boten voor de sluis te wachten. Bovendien zijn er nogal wat charterschepen, die voor de pleziervaart de sluis in mogen. Al met al duurt het tot 12.45 voor we door de sluis zijn. In de haven zetten we de zeilen en met de stuurautomaat als roerganger gaan we in een rechte lijn op Enkhuizen af. De wind is W, kracht 4, met nu en dan even wat kleine uitschieters. De snelheid is voor het grootste deel van de reis 4 knopen. Maar op het eind, in de buurt van Enkhuizen, gaat het opeens harder waaien. Snelheden tot meer dan 6 knopen worden opeens gehaald. De zon schijnt vrolijk in een blauwe hemel en het is opeens weer echt zomer geworden. Bij de ingang van het Krabbersgat (waar we tegen 14.45 aankomen) laten we de zeilen zakken en varen op de motor de haven binnen. Bij de meldsteiger krijgen we een box toegewezen en ondanks het nogal onbeholpen manoevreren van een motorbootvaarder liggen we tien minuten later voor de kant. We nemen eerst een borrel en gaan wat slapen. Daarna pakken we de fietsen en gaan een kijkje nemen bij de oude haven. Aldaar rondtoerend merk ik dat mijn achterband opeens weer zacht begint te worden. Weer heb ik de neiging eerst maar naar boord terug te gaan en daar de reparatie uit te voeren, maar Annet wil, dat de zaak ter plaatse geregeld wordt. Dat hadden we mogelijk beter niet kunnen doen. Als ik de fiets namelijk ondersteboven heb staan en het achterwiel ronddraai om de binnenband te verwijderen, krijgt Annet door onverklaarbare oorzaken opeens de middelvinger van haar rechterhand tussen tandrad en ketting en ontstaat er een fors bloedende jaap in haar vinger. Met papieren zakdoekjes weet ze de bloeding binnen de perken te houden, terwijl ik zo snel mogelijk de band plak. Daarna oppompen en terug naar de boot. Aldaar aangekomen halen we (voor het eerst!) de eerstehulp middelen tevoorschijn en brengen een dik verband aan om Annets vinger. Daarna gaan we eten de bij Chinees. Lekker, maar niet goedkoop! In Duitsland waren we gewend geraakt complete maaltijden met drankjes en al voor 25 Euro te kunnen krijgen. Hier blijken we 40 Euro te moeten neertellen! Wel een beetje erg veel eigenlijk, vinden we. Terugrijdend naar de boot komen we voorbij een boekenwinkeltje, waar ik even ga rondkijken. We schaffen twee boekjes aan, waaronder het verhaal van Dava Sobel over John Harrisons uitvinding van de chronometer ter bepaling van de lengtegraden bij de zeenavigatie. Erg interessant boekje! Ik ben er meteen aan begonnen!
Annet belt met Joyce om te regelen dat we morgenmiddag uit Monnickendam afgehaald worden. We zijn van plan morgen om half negen voor de sluis te liggen, zodat we omstreeks het middaguur in Monnickendam kunnen zijn. We hopen op een leuk stukje zeilen!
Zaterdag, 27 juli 2002
Enkhuizen naar Monnickendam
We vertrekken bijtijds. Omstreeks 09.00 uur varen we in de richting van de sluis. Er liggen nog maar een paar schepen te wachten. Al gauw wordt de sluis gereed gemaakt en kunnen we naar binnen. Het verval is (wederom) vrijwel nihil en om ongeveer 09.30 varen we het Markermeer op. De wind is Z/ZO, kracht 3-4 en eigenlijk is het zonde om er op de motor dwars tegenin te varen. We zetten dus de zeilen en beginnen te kruisen in de richting van Monnickendam. De snelheid valt niet tegen: omstreeks 4 knopen kunnen we staande houden. Maar de resulterende snelheid in de richting van het eigenlijke reisdoel is volgens de GPS amper 1 knoop. Het weer is echter prima en de automaat kan het schip uitstekend op koers houden. Dus de komende uren varen we al kruisend op de zeilen. Eigenlijk best een leuke afsluiting van de vakantie 2002!
Tegen 12.00 uur zijn we op een dikke 9 mijl van Monnickendam verwijderd. Omdat we met Joyce en Patrick hebben afgesproken, dat we tegen 14.00 ter plaatse zullen zijn, halen we het grootzeil neer en starten de motor. Op het moment, dat ik dat doe flitst er opeens iets groens van de masttop naar beneden, bonst op het dek en vliegt overboord. Als we nog eens goed kijken, blijkt het driekleurentoplicht annex windvaan in een keer overboord te zijn gegaan. Niet goed genoeg vast gezet blijkbaar. Zullen we te zijner tijd moeten vervangen. Balen, maar het is niet anders. Om 14.30 liggen we in de box en beginnen met het aan wal zetten van de bagage. Tegen 15.00 komen Joyce en Patrick. We pakken de spullen in de auto en rijden terug naar huis. Einde vakantie 2002. Is voor herhaling vatbaar!