Aandachtspunten bij het beoordelen van een Discusvis door Leo Lammerse

 

Daar ik een aantal malen jurylid ben geweest bij de Belgische Discusclub en over de aandachtspunten regelmatig heb gediscussieerd met de andere juryleden en in overweging nemende wat er allemaal al over het onderwerp is gepubliceerd kom ik tot de onderstaande aandachtspunten:

Allereerst: Over smaak valt niet te twisten

 


 
  1. De bek:

 Lippen moeten vol en dik zijn en de bek moet goed sluiten.

 

  1. Ogen:

De ogen dienen helder te zijn zonder b.v. wormstaar of andere ingroeisels. Rode ogen scoren hoger dan gele. Ze mogen niet te bol zijn (Waterzucht) Ze moeten levendig bewegen.

 

  1. Het voorhoofd:

Moet goed dik zijn als je er van boven op kijkt. Bij de mannen is het meestal wat dikker dan bij de vrouwen. Mag niet dun toelopen (mesrug) Er mogen geen gaatjes in zitten (Gatenziekte).

 

  1. De bovenvin (Dorsaal):

De eerste vinstralen mogen los staan, afhankelijk van de soort. Bij wildvang is dit prominenter dan bij sommige nakweek soorten. De vin moet gelijkmatig oplopen en een ronde vorm hebben. Er mogen geen happen uit zijn of insluitingen in zitten (Witte belletjes e.d.) Vinnen moeten helder transparant zijn. Lichte vorm van vinrot is toegestaan. Komt door overzetten en transport. De vinnen moeten op de juiste plek beginnen. Niet teveel naar achteren. Vlaggetjes zijn toegestaan.

 

  1. Staartvin (Caudaal):

Vorm en model moeten goed zijn. Zie ook 4.

 

  1. Staartwortel:

Over het algemeen hoe dikker de staartwortel hoe sneller een vis zwemt. Een krachtige staartwortel krijgt pluspunten.

 

  1. Anaalvin:

Hiervoor geldt hetzelfde als bij de bovenvin. Vaak begint deze te laat. In combinatie met een verkeerde bovenvin krijgt de vis dan een langwerpig uiterlijk.

 

  1. Borstvinnen:

Zie ook de staartvin.

 

  1. Buiksprieten:

De dienen voldoende lang te zijn en even lang. Krullen of knikken geeft minpunten.

 

  1. De maag:

Deze moet niet ingevallen zijn maar ook niet extreem opgezet (buikwaterzucht, lintwormen, verstopping) Niet te verwarren met een vis die net lekker heeft gegeten.

 

  1. Kieuwdeksel:

Moet goede vorm hebben en helemaal aansluiten. Vis moet ca. 60 keer per minuut ademen of minder. (niet na het eten) De kieuwen moeten van binnen mooi rood zijn.

 

  1. De keel:

Moet een harmonieuze vorm hebben en mag niet teveel uitsteken (krop)

 

  1. De vorm:

De vis moet rond zijn (geen highfin), goed in zijn vlees zitten en een goede verhouding vlees/vin hebben.

 

  1. De afmeting:

Tussen de 15 en 18 cm zijn normale maten, afhankelijk van de soort.

 

  1. De streeptekening:

Het mooiste is als de strepen gelijkmatig verdeeld zijn en geen fouten bevatten zoals X en Y hoewel dit ook in de natuur voorkomt. Het dienen er 9 te zijn met uitzondering van de Snakeskin. Sommige kweekvormen hebben geen strepen.

 

  1. De huid:

Deze dient er gaaf en gelijkmatig uit te zien zonder overmatig slijm en met voldoende slijm. Parasieten en ingroeisels geven min punten. Lichte beschadigingen door het transport worden niet negatief beoordeeld.

 

  1. De kleur:

Aan de keurmeester wordt geen persoonlijke voorkeur verwacht en er moet dan ook puur op helderheid en tekening worden beoordeeld. Of men meer van rood houdt dan van blauw is geen maatstaf. De strepen mogen niet te geprononceerd zijn. (Stress, ziekte etc.)

 

  1. De houding en het  postuur:

Het dier dient in het water de juiste houding te hebben en dient zich levendig te bewegen. Hij moet een voorname indruk uitstralen. Het is uitstekend als het dier nieuwsgierig de omgeving gadeslaat.

 

  1. Ontlasting:

Indien zichtbaar dient deze uiteraard in orde te zijn.

 

  1. Vergroeiing:

Bij wildvangvissen wordt dit minder ernstig beoordeeld dan bij nakweek. Immers als de vis gebeten is door een andere vis dan is dit noch de schuld van de kweker noch die van de vis.

 

Tip: Wen de dieren vóór de keuring aan een bakje van 50 x 50 cm in een drukke ruimte. Voeg niets toe aan het water buiten een beetje zout. Meestal heeft dit op de dag van de keuring een averechts effect. Voer zeker geen turf toe. De kleuren komen dan niet goed uit. Als dat is toegestaan probeer dan voor 50% “eigen water” mee te nemen en neem ook een goed ingelopen filtertje mee. Stop met voeren één dag voor het transport. Voordeel: geen ontlasting tijdens het transport en keuring, minder watervervuiling dus en een vis die beter op kleur is én nieuwsgierig naar het raam toekomt in de hoop eindelijk eens wat te eten te krijgen.

Vervoer de vis niet in een emmer maar in een zak. Of emmer met daarin een (vuilnis- of pedaalemmer) zak. Zo zijn er minder beschadigingen. Als het kan: voeg zuurstof toe aan de zak. Dit is beter dan perslucht. Met de mond opblazen is uit den boze: in dat geval blaast men koolzuurgas is de zak.

 

Leo Lammerse, tel.: 075-6874710